1993/4 ongegrond

De gemeente Haarlem tegen A. Molducci en M. Sitniakowsky

Per brief van 18 september 1992 met twee bijlagen heeft het college van B&W van de gemeente Haarlem (klaagster) een klacht ingediend tegen Anna Laura Molducci en Maria Sitniakowsky (betrokkenen), journalisten bij het Haarlems Dagblad. Namens betrokkenen heeft de hoofdredacteur van het Haarlems Dagblad F.H.M. Nypels op de klacht geantwoord in een brief van 12 februari 1993.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 februari 1993. Namens klaagster zijn verschenen mevrouw L. Kroskinski, wethouder van de gemeente Haarlem en E.F. Stoové, ambtenaar in dienst van de gemeente Haarlem. Betrokkenen hadden laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

Op of omstreeks 1 juli 1992 zijn twee dozen met dossiers van cliënten van de Sociale Dienst te Haarlem gestolen bij het opslagbedrijf waar de gemeente Haarlem de dozen had ondergebracht. De twee dozen werden op of omstreeks 20 augustus afgegeven op de redactie van het Haarlems Dagblad alwaar de politie de dozen in beslag nam.

In het Haarlems Dagblad van 21 augustus is op de voorpagina onder de kop "Dossiers van cliënten Sociale Dienst op straat" een bericht geplaatst over deze feiten. In de krant van dezelfde dag is onder de kop "GSD-dossiers in beslag genomen" in een vervolgartikel aan die feiten nader aandacht besteed.

Het laatste artikel bevat een aantal citaten van kennelijk door de journalisten benaderde cliënten van de Sociale Dienst van wie zich in de dozen dossiers bevonden. De geciteerde personen zijn anoniem gehouden en slechts aangeduid als "cliënt", "gedupeerde" en in één geval "kunstenaar".

STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klaagster richten zich niet tegen het feit dat het Haarlems Dagblad het feit van de diefstal zelf in de openbaarheid heeft gebracht maar wel tegen het benaderen van cliënten door de journalisten waartoe deze de dossiers in de bij de redactie bezorgde dozen hebben moeten lezen. Klaagster vraagt de Raad een oordeel over de vraag of betrokkenen daarmee niet inbreuk hebben gepleegd op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betreffende cliënten.

Betrokkenen hebben geantwoord dat kennisneming van de inhoud van de dozen nodig was om te kunnen nagaan wat er aan de hand was
"Kennisname van de inhoud leidde tor de conclusie dat het inderdaad om dossiers van de Sociale Dienst ging. Daarop is niet alleen in de krant aandacht aan de zaak besteed, maar ook is het college van B&W verwittigd."

"Intussen bleek dat de diefstal van de dozen al zeven weken eerder had plaats gehad en door de Sociale Dienst nooit naar buiten was gebracht. Bovendien bleek uit contacten van de krant met de cliënten dat zij niet door de gemeente op de hoogte waren gesteld van de diefstal Verder moest mijn redactie vaststellen dat de gemeente zich niet had gehouden aan de wettelijke plicht om dossiers binnen vijf jaar nadat het contact met een cliënt is beëindigd, te vernietigen.
De gemeente mag zich dan nu opwerpen als hoedster van de bescherming van de privacy, de praktijk toont aan dat het daarmee niet optimaal is gesteld. Om dat te kunnen vaststellen hebben redacteuren van mijn krant een aantal stappen genomen die, zeker in het licht van de waakhondfunctie van de pers, gerechtvaardigd zijn."

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Dat betrokkenen na kennisneming van de inhoud van de ter redactie bezorgde dozen contact hebben gezocht met een aantal personen wier dossiers zich in die dozen bevonden, had tot doel een aantal aspecten van het nieuwsfeit - de diefstal van de twee dozen - te onderzoeken. Het ging daarbij om het al dan niet bekend zijn van de diefstal bij de cliënten van de Sociale Dienst, hun reactie op een en ander en dergelijke. Het benaderen van deze cliënten was dus functioneel en noodzakelijk aangezien de gemeente niet over al de genoemde elementen uitsluitsel kon geven. Te meer daar in de berichtgeving in de krant volledige anonimiteit is betracht hebben betrokkenen met deze handelwijze niét de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in het Haarlems Dagblad wordt gepubliceerd

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 26 februari 1993 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, W.F. de Pagter, mevrouw T.M. Lücker en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1993, 4.