1993/21 ongegrond

M.F. Jansen tegen Willem Reijn

Bij brief van 27 mei 1993 met één bijlage heeft M.F. Jansen, Marketing Director van Coca-Cola Nederland B.V. te Amstelveen (klager) een klacht ingediend tegen Willem Reijn, journalist bij De Stem, dagblad voor Zuidwest-Nederland (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 9 juli 1993 met vier bijlagen. Daarop is nog een brief gevolgd van klager van 27 mei 1993.

De Raad heeft met toestemming van partijen over de klacht beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling, op 5 november

1993.

DE FEITEN

OP 15 april 1993 werd in het Filmmuseum te Amsterdam de reclamecampagne Always Coca-Cola gepresenteerd. Bij die gelegenheid vond een interview plaats met klager in zijn kwaliteit van marketing director van Coca-Cola Nederland B.V.

In De Stem van 20 april 1993 heeft betrokkene in zijn vaste column "Kop & Munt" aandacht besteed aan deze gebeurtenis en met name aan het vraaggesprek met klager.
In de column wordt klager aangeduid als directeur van Coca-Cola Nederland zonder verdere naamsvermelding. Hij wordt vervolgens betiteld als "houten hark", "Houten Klaas" en "Brekebeen", dat laatste in de volgende passage.

"Maar Brekebeen bleef niet leuk. 'Het gebruiksmoment van Coca-Cola moet ook naar de ochtend worden verplaatst. In Amerika drinken ze Coca-Cola bij het ontbijt'.
Opeens kreeg ik weer een oudlinkse hekel aan reclame. Aan die vergifverkopers, die voor een paar zilverlingen hun moeder nog aan een Russische vrouwenhandelaar zouden verkwanselen. Wel verdomme, blijf van mijn kinderen af, vieze man! Jij vunzige vozer. Mijn kinderen krijgen gewoon melk bij hun boterhammen. Jij wilt alleen maar met je bruine suikerwater over de gezonde rug van mijn bloedjes van kinderen Yankee-dollars verdienen. Pecunia-pedo!"

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager voelt zich aangetast in zijn eer en goede naam door het gebruik van de kwalificaties "vieze
man", "vunzige vozer" en "pecunia-pedo". Deze kwalificaties slaan op hem persoonlijk. Klager heeft voorts bezwaar tegen de vergelijking van Coca-Cola met vergif door het gebruik van de term "vergifverkopers". Klager meent dat ook in het kader van een column deze kwalificaties de fatsoensnormen overschrijden.

Betrokkene heeft geantwoord dat de passage waartegen de bezwaren zich richten, geen betrekking heeft op klager persoonlijk. Zoals blijkt uit de verandering van stijl geeft deze passage de persoonlijke gevoelens weer van een huisvader met drie kinderen over reclame in het algemeen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar het oordeel van de Raad zijn de door klager gebruikte kwalificaties gebruikt in een onderdeel van de column waarin de columnist zich heeft losgemaakt van de beschrijving van het interview van klager. De sterk overdrijvende stijl, die met name in dit gedeelte van de column wordt toegepast heeft tot gevolg dat de gebruikte kwalificaties, wat men daar verder ook over mag denken, niet gelezen zullen worden als persoonlijke kritiek op klager of het produkt Coca-Cola. De Raad is daarom van oordeel dat betrokkene door het gebruik van deze kwalificaties in deze column niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in De Stem te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 november 1993 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, mr T. Faber-De Heer, mevrouw A.G. Scherphuis en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1993, 21.