1993/2 gegrond

J.C. ten Kortenaar tegen Arie van Driel

In een brief van 12 augustus 1992 met één bijlage heeft].C. ten Kortenaar (klager) een klacht ingediend tegen de journalist Arie van Driel (betrokkene) van het Algemeen Dagblad. Namens deze heeft adjuncthoofdredacteur B. van Bossum in een brief van 16 september 1992. Op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 februari 1993. Klager was in persoon aanwezig evenals betrokkene, samen met B. van Bossum.

DE FEITEN

Klager heeft als lid van de Nederlandse Nationale Wielerploeg deelgenomen aan de in de zomer van 1992 te Barcelona gehouden Olympische Spelen.

Tijdens deze spelen hebben vijf voor het Algemeen Dagblad in Barcelona aanwezige journalisten dagelijks een column in de krant verzorgd, geheten Impressie. De op 31 juli 1992 afgedrukte impressie is van de hand van betrokkene Van Driel. Het stukje is gewijd aan klager en draagt als kop "Geschift, die jongen!". Deze kop is ontleend aan de tekst van de column. Deze bevat de volgende passages.

"De juffrouw van de sporttelevisie zag hem niet staan. Haar cameraman wilde maar niet op hem inzoomen. Bij alles wat hij zei, riep, orakelde, hoestte, vertelde, brulde of dacht, gingen de wijsvingers van zijn toehoorders naar het respectieve voorhoofd, zag hij. 'Geschift, die jongen! '."

"Zijn ploegmakkers - zijn gezicht met de immer pratende kier meer dan zat - wilden hem kielhalen, onder de Olympic Star, hem van de flanken van de Montjuic rijden, hem een ordinaire rotschop geven."

"De officials en (bijna) alle Olympische volgers trapten de volgende dag in de door hem opgezette val (zijn dopingverhaal), zagen hem opeens voor vol aan, en spraken vervolgens van een grof schandaal."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft bezwaren tegen de column omdat deze zich niet beperkt tot overdrijven of zwaar aanzetten maar uitgaat van onwaarheden. Volgens klager is het niet waar dat zijn ploeggenoten een hekel aan hem hebben. Ook is het niet waar dat hij om publiciteit te krijgen een bezoek aan dopingarts Karstens voorgewend zou hebben. Hij is daar in 1989 wel degelijk geweest en heeft daar openlijk over gesproken hoewel te verwachten was dat daarop negatieve reacties zouden volgen. Het gebeurde dus niet om zijn populariteit te vergroten.
De bezwaren van klager spitsen zich toe op de kop boven de column waarin gesuggereerd wordt dat hij daadwerkelijk gestoord is.

Klager voelt zich door de column aangetast in zijn goede naam hetgeen te meer geldt nu hij als amateur sporter na de Olympische Spelen niet snel in de publiciteit komt zodat hij ook geen gelegenheid heeft om in het openbaar tegengas te geven.

Betrokkene heeft geantwoord dat de inhoud van de column gedragen wordt door hetgeen de ploeggenoten van klager over klager hebben gezegd. Ook het citaat uit de column is letterlijk zo gezegd. De column is dus gebaseerd op hoe er in de sportwereld werkelijk over klager wordt gedacht en dat is op krachtige toon weergegeven. De kop is letterlijk bedoeld nu er ook letterlijk zo over klager werd gesproken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Gezien de badinerende stijl van de column dient niet alles wat in die column vermeld staat letterlijk te worden opgevat. Naar het oordeel van de Raad valt echter de, niet tussen aanhalingstekens staande, kop buiten het badinerende kader en suggereert deze dat klager letterlijk beschouwd moet worden als een gestoorde persoonlijkheid. Nu betrokkene ter zitting heeft bevestigd dit zo bedoeld te hebben heeft hij daarmee de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is nu de bewering uit de kop onvoldoende wordt waargemaakt.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 februari 1993 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, mr T. Faber-De Heer, mr F. Kuitenbrouwer en mr D.T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1993, 2.