1993/18 ongegrond

Th.J.G. Hartkamp tegen Marc van den Eerenbeemt

In een brief van 10 mei 1993 met vijf bijlagen heeft Th.J.G. Hartkamp te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen Marc van den Eerenbeemt (betrokkene). Namens deze heeft Bert Vuijsje, adjuncthoofdredacteur van de Volkskrant, op de klacht gereageerd in een brief van 18 juni 1993.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 4 oktober 1993. De Raad heeft over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling. Met toestemming van partijen is deze beslissing genomen door vier leden van de Raad in plaats van vijf.

DE FEITEN

In de Volkskrant van 25 maart 1993 is in de vaste rubriek "DAG IN DAG UIT" onder de kop "Steriele piercing is niet pijnloos" een stukje gepubliceerd van Marc van den Eerenbeemt over het perforeren van lichaamsdelen bij mensen. Dit stukje bevat de volgende passage.

"In Nederland wordt al jaren in het klein gepierct. Jan de Haan ult Nieuw Vennep begon twintig jaar geleden met een advertentie in Candy. Hij heeft al 'duizenden' klanten geholpen. De Nederlandse piercecultuur vindt hij maar niks. Theo Hartkamp uit Amsterdam, een andere senior, is voor hem 'zo'n doe-het-zelver waar je op een Workmate een naald door je heen krijgt'. Het wereldje blinkt niet uit in vriendschappelijke verhoudingen. De piercers betichten elkaar van scheve piercings, vieze naalden en infecties.
'Helaas werkt niet iedereen steriel', zegt Hartkamp. 'Het taboe verdwijnt en veel mensen verlangen naar een piercing. Dan zijn er altijd jongens die denken dat het een goudmijn is en maar raak steken'."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van oordeel dat hij geschaad is in zijn goede naam doordat betrokkene de negatieve uitlating, die Jan de Haan te Nieuw Vennep over hem deed, heeft gepubliceerd. Klager doet een beroep op 43 jaar ervaring waardoor hij nationaal en internationaal een goede naam heeft opgebouwd.

Betrokkene heeft samengevat het volgende geantwoord. 1. Het citaat van De Haan is gebruikt om de weinig vriendschappelijke verhoudingen binnen de piercewereld te illustreren.
2. Door het opnemen van citaten van klager is voldoende tegenwicht geboden.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad beschouwt de gewraakte opmerking van De Haan als een negatief oordeel over het vakmanschap van klager. Die mening moet gelezen worden tegen de in het stukje geschetste onvriendschappelijke verhoudingen tussen degenen, die zich al dan niet beroepsmatig met lichaamsperforatie bezighouden. Hoewel het betrokkene niet had misstaan als hij de woorden van De Haan aan klager Hartkamp had voorgelegd heeft hij door dat na te laten nog niet de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Het gaat immers om het weergeven van een mening van De Haan waarbij het toepassen van wederhoor bij degene op wie deze mening betrekking heeft niet noodzakelijk was.
De Raad overweegt daarbij dat de beroepsopvatting van klager zélf blijkt uit de van hem in het stukje opgenomen citaten.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.
De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in de Volkskrant.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 4 oktober 1993 door mr P.J. Boukema, voorzitter, W.F. de Pagter, W.H.K. Ammerlaan en mr B.A. Schmitz, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1993, 18.