1993/14 ongegrond

Het Servisch Informatie- en Cultuurcentrum tegen de redactie van KRO-Brandpunt

Per brief van 14 december 1992 met vier bijlagen heeft J. Grbic, voorzitter van het bestuur van de Stichting Servisch Informatie- en Cultuurcentrum te Tilburg namens deze stichting alsmede namens de regering van Bosnisch Servië en het Servisch Nieuwsagentschap (klagers) een klacht ingediend tegen de redacteuren van het televisieprogramma Brandpunt van de KRO (betrokkenen). Namens betrokkenen heeft de eindredacteur van KRO Brandpunt F. de Poel op de klacht gereageerd in een brief van 21 januari 1993.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 27 september 1993. Klagers werden vertegenwoordigd door mevrouw C.M.J. Grbic-Buddingh en de heer dr J.E.M.M. Syroit. Namens betrokkenen zijn verschenen F. de Poel en G.J.C. de Lange.

DE FEITEN

Op zondag 6 december 1992 heeft de KRO-televisie een bijzondere aflevering uitgezonden van het actualiteitenprogramma Brandpunt. De uitzending had een duur van 2,5 uur en was gewijd aan de oorlog in het voormalige Joegoslavië. De titel van het programma was "Joegoslavië exit - ingrijpen ja of nee". In het programma werd de wenselijkheid van militaire interventie aan de orde gesteld. Het percentage van voor- en tegenstanders onder het kijkende publiek werd gedurende de loop van het programma in de vorm van een barometer bijgehouden.
Naast de vertoning van beelden uit het oorlogsgebied kwamen in het programma een aantal deskundigen, gezagsdragers en opinievormers aan het woord uit binnen- en buitenland onder wie de Britse onderhandelaar David Owen, de Nederlandse minister Hans van den Broek, oud-minister en -staatssecretaris Van Eekelen, aartsbisschop Kuharic en de Nederlandse bisschop Bar. Ook een aantal Nederlandse artiesten onder wie Herman van Veen werkten aan de uitzending mee.
Aan het eind van de uitzending beliep het percentage voorstanders van militaire interventie in Bosnië 91% en dat van de tegenstanders 9%.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers tegen de uitzending zijn in essentie de volgende.
1. De uitzending bevatte een aantal onjuistheden
2. De opzet van de uitzending was anti-Servisch.
3. Brandpunt heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door vrijwel uitsluitend anti-Servische deskundigen, autoriteiten e.d. in de uitzending te halen.

Voorbeelden van onjuistheden zijn het vertonen van beelden van de beschieting van een Moslim kerkhof onder de suggestie dat de beschieting van Servische zijde kwam, zulks terwijl ten tijde van de uitzending reeds bekend was door een VN-rapport dat deze beschieting door de Moslims zelf in scene was gezet. Een ander voorbeeld is het vertonen van beelden van een niet nader geïdentificeerde vrouw, die vertelt over begane gruweldaden met de suggestie dat het om een Moslimvrouw gaat terwijl het een Servische was. Als derde voorbeeld noemen klagers het vertonen van beelden van vluchtelingen tijdens een door Herman van Veen vertolkt lied, welke beelden niet afkomstig zijn uit het huidige oorlogsgebied. Als vierde voorbeeld de mededeling dat 433.000 in Servië hun huis zouden hebben moeten ontvluchten. Dat is onjuist. Dit getal slaat op het aantal Serven dat in Kroatië en Bosnië hun huis heeft moeten verlaten.

Dat de redactie van Brandpunt gewerkt heeft vanuit een vooropgezette anti-Servische visie blijkt uit de gemaakte selectie van beelden en deskundigen en het nalaten van het belichten van de positie van de Serven vanuit historisch perspectief. Dat er met name onder Serven anders gedacht wordt moet de redactie gebleken zijn door de vele telefoontjes van Serven waarvan er slechts één in de uitzending is gekomen. Na de uitzending heeft de redactie ook veel brieven van Serven ontvangen met protesten

Betrokkenen hebben geantwoord dat zij niet gewerkt hebben vanuit een vooringenomen standpunt maar gestreefd hebben naar objectieve informatie. De uitzending vond plaats vlak na de ontdekking van concentratiekampen waardoor mede verklaard kan worden dat de publieke opinie overwegend anti-Servisch was. Betrokkenen willen niet uitsluiten dat er onjuistheden zijn voorgekomen in de 2,5 uur durende uitzending. Wel is getracht dat zoveel mogelijk te voorkomen. Zo werd een eigen
verslaggever naar het oorlogsgebied gezonden die getracht heeft zich te beperken tot het verzamelen van ooggetuigenverklaringen. Bij het vertonen van de beelden van de beschieting van een begraafplaats is niet gezegd dat die beschieting het werk was van Serviërs. BBC-verslaggever Jeremy Bowen heeft bevestigd dat de betreffende begraafplaats 's morgens door Serviërs was beschoten zodat de beelden als illustratie bij die informatie gebruikt konden worden ook al waren de schutters op dat moment zelf géén Serviërs. Betrokkenen hebben erkend dat de mededeling over 433.000 vluchtende Serviërs onjuist was. Volgens betrokkenen was hier echter geen opzet in het spel.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft - mede gelet op een ter zitting getoonde compilatie van de uitzending - vastgesteld dat feiten zijn gepresenteerd met gebruikmaking van niet bij die feiten passende beelden. In zoverre is van onjuiste informatie sprake. Hoewel de Raad rekening houdt met de moeilijkheid om in een oorlogsgebied de juiste informatie te krijgen en met het gevaar slachtoffer te worden van de opzet van plaatselijke media om de tegenstander door middel van onjuiste informatie in een kwaad daglicht te stellen, is de Raad er niet van overtuigd dat de redactie van Brandpunt bij de voorbereiding van het aangevallen programma alles heeft gedaan om onjuistheden te vermijden.
De Raad meent echter dat de gesignaleerde onjuistheden in de uitzending als geheel van ondergeschikte betekenis zijn.

Wat betreft de anti-Servische teneur van de uitzending stelt de Raad voorop dat het ook de redactie van een actualiteitenrubriek vrij staat te werken vanuit een bepaalde visie op het conflict in het voormalig Joegoslavië. De omstandigheid dat het merendeel van de ondervraagden een negatief oordeel velden over het optreden van de Bosnische Serviërs, valt aan betrokkenen niet te verwijten. Klagers hebben de Raad er niet van kunnen overtuigen dat betrokkenen met opzet alleen personen aan het woord hebben gelaten, die een anti-Servisch standpunt innamen.
Wel had de redactie meer moeite kunnen doen om de positie van Bosnische Serviërs te belichten. Ook hier geldt echter dat het nalaten daarvan nog niet leidt tot het oordeel dat betrokkenen bij het maken van de uitzending de grenzen hebben over
schreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing aandacht te besteden in een van de uitzendingen van het actualiteitenprogramma Brandpunt.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 27 september 1993 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, M.l. Kes, J.M.P.J. Verstegen en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1993, 14.