1993/12 gegrond

Peter de Vries tegen Theo Kuijpers, John van den Heuvel (de hoofdredacteur van de Telegraaf)

Per brief van 2 maart 1993 met zes bijlagen heeft de journalist P.R. de Vries te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de journalisten Theo Kuijpers en John van den Heuvel alsmede de hoofdredacteur van de Telegraaf (betrokkenen). Namens betrokkenen heeft hoofdredacteur mr J. Olde Kalter op de klacht gereageerd in een brief van 16 maart 1993.

De Raad heeft over de zaak beslist op 27 september 1993 op grond van de stukken en derhalve zonder mondelinge behandeling. Partijen hebben zich er mee akkoord verklaard dat de beslissing is genomen door uier leden in plaats van vijf.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.

In de nacht van 30 OP 31 januari 1993 werden de zes glazen panelen van het in het Wertheim-park te Amsterdam geplaatste Auschwitz-monument vernield. Het monument zou op 31 januari onthuld worden. De vernieling veroorzaakte grote maatschappelijke onrust. Vermoed werd dat het om een anti-semitische daad ging.
Op woensdag 3 februari meldde de dader zich telefonisch bij de politie. Dit deed hij na overleg met o.a. klager. Deze bezorgde het Algemeen Dagblad de primeur hierover voor de krant van vrijdag 5 februari 1993. De dader had zich inmiddels na een gesprek met zijn in Maastricht kantoor houdende en in België wonende advocaat op donderdagavond in persoon gemeld bij de politie.

In de Telegraaf van zaterdag 6 februari is onder de kop "Politie: dader al woensdag bekend" en daarboven in kleinere letters "Vernieler monument op vrije voeten" aandacht besteed aan deze feiten. Het artikel opent met de volgende passages.

"De Amsterdamse politie zegt al sinds afgelopen woensdag op de hoogte te zijn geweest van de identiteit van de vernieler van het Auschwitz-monument in de hoofdstad. De politie werd door collega's van een ander korps geïnformeerd maar kon niet tot arrestatie overgaan omdat een journalist de glazenier, de 38 jarige Ruud S., mee naar België had genomen.
S. werd daar voor de politie verborgen gehouden omdat de journalist eerst zijn verhaal wilde controleren. Na overleg met een advocaat besloot S. zich uiteindelijk op donderdagavond bij de politie in Amsterdam-Noord te melden.

Belemmerd.
'We waren met de hele gang van zaken niet gelukkig. Ons onderzoek is door het optreden van de journalist zeker belemmerd', verklaarde commissaris B. de Koningh gisteren na afloop van een persconferentie, waarop de politie verklaarde dat S. inmiddels een volledige bekentenis heeft afgelegd."

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is de in het artikel uit de Telegraaf bedoelde journalist. Zijn bezwaren richten zich op de mededeling dat hij de dader voor de politie verborgen zou hebben gehouden omdat hij eerst zijn verhaal wilde controleren en dat zijn optreden het onderzoek van de politie belemmerd zou hebben. In beide gevallen gaat het om beschuldigingen, die onjuist zijn.

Klager verwijst naar een verklaring van de dader zelf en een andere bij de zaak betrokken journalist waarin wordt bevestigd dat hij de dader op diens eigen verzoek vergezeld heeft naar Maastricht en vervolgens naar Lanaken in België voor een gesprek met zijn advocaat. Van het verborgen houden door klager met het oog op publikaties is geen sprake geweest. Ook heeft klager door deze handelwijze het onderzoek niet belemmerd. De politie bedoelde te zeggen dat het bericht in de krant van 4 februari op een ongelegen moment kwam namelijk voordat de politie de werkgever van de dader, die opdracht voor de daad zou hebben gegeven, had kunnen horen.
Klager heeft de Telegraaf vergeefs verzocht een ingezonden brief op te nemen waarin klager de juiste gang van zaken weergeeft.

Betrokkenen hebben afgezien van het geven van schriftelijk commentaar op de klacht.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Mede op grond van de door klager overgelegde stukken, waarvan de juistheid door betrokkenen niet is betwist, gaat de Raad er vanuit dat klager de dader van de vernieling van het Auschwitz-monument niet voor de politie verborgen heeft gehouden in België met het oog op een journalistieke primeur. De Raad acht de klacht hierover gegrond. Het feit dat klager niet met zijn naam genoemd wordt in de publikatie in de Telegraaf staat aan dat oordeel niet in de weg omdat de betrokkenheid van klager inmiddels in ruime kring bekend was.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is door het doen van een niet terechte beschuldiging jegens klager waardoor hij als journalist ten onrechte in een kwaad daglicht werd gesteld.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in de Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 27 september 1993 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, M.J. Kes, en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1993, 12.