1993/11 ongegrond

Terpstra en Tukker tegen Theo Nijenhuis en Esther Hageman

In een brief van 19 maart 1993 met elf bijlagen heeft drs L.H. Terpstra (klager) namens het Organisatie-Adviesbureau Terpstra en Tukker te Utrecht een klacht ingediend tegen de journalisten Theo Nijenhuis en Esther Hageman (betrokkenen). Namens dezen heeft Theo Nijenhuis in een schriftelijk stuk van 27 mei en een brief van 25 juni 1993 Op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 juni 1993. Klagers werden vertegenwoordigd door drs L.H. Terpstra. Betrokkenen hadden laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. De reorganisatie van het Ministerie van VROM leidde eind 1992 tot een conflict tussen de ambtenaren van het ministerie en het Organisatie-Adviesbureau Terpstra en Tukker, dat door het ministerie voor de begeleiding van de reorganisatie was ingeschakeld.
Onder de kop "Reorganisatie bij VROM leidt tot uitbarsten conflict" verscheen hierover in de Volkskrant van 4 december 1992 het eerste bericht van Theo Nijenhuis. Deze is het conflict samen met zijn collega Esther Hageman blijven volgen in tien nadere publikaties waarvan de laatste verscheen op 27 januari 1993. In een artikel van 11 december 1992 is de werkwijze van Terpstra en Tukker aan een beschouwing onderworpen. Dit artikel bevat de volgende passages.

"Het is al meer dan een jaar geleden, maar ze ziet het nog voor zich. Iedereen huilde. Een groepje ambtenaren dat de nieuwe elite moest worden op het Ministerie van VROM, zat te snikken in een achteraf kamertje aan het Willem Witsenplein in Den Haag. Organisatie-adviseur drs L. Terpstra beëindigde vloekend en tierend zijn zoveelste donderspeech.
Er deugde niets van het werk, van de inzet en van de mensen op het departement van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. 'Brandhout' waren ze, en als daar geen verandering in kwam, werden ze allemaal vervangen. Terpstra was bezig zijn team te kneden tot een elitekorps, dat een slagvaardig klimaat moest kweken onder de ruim achttienhonderd ambtenaren van het directoraat-generaal voor de Volkshuisvesting. Weg met de dorre specialisten en de brave pennelikkers. Een volkshuisvester is klant- en marktgericht. Pas dan is hij professioneel, vindt Terpstra.
Het team is inmiddels halverwege zijn karwei en Terpstra oppermachtig."

"Terpstra en zijn compagnon drs N. Tukker praktiseren een 'stratepeutische' stijl van werken. Die naam is zelfbedacht: een mix van strategisch en therapeutisch. In de praktijk komt de stratepeutische aanpak er vooral op neer dat ambtenaren, in een poging om hen te veranderen, in groepsgesprekken worden uitgemaakt voor 'boerenlul, nitwit' of 'brandhout', al hield het stratepeutisch team zich wel eens in. Bijvoorbeeld als secretaris-generaal drs R. den Dunnen, gealarmeerd door alle gruwelverhalen, bij de gesprekken zat."

"Een beleidsambtenaar op VROM, de knokkels wit om de tafelrand, vertelt hoe Terpstra en Tukker daarbij te werk gaan: "Wat is de rode draad door je leven?', werd gevraagd aan een van m'n collega's Die was voor dat groepsgesprek uit het oosten van het land gekomen. 'Voor zo'n vraag kom ik niet dat hele eind hierheen', antwoordde die."
"Daar werd Tukker héél boos van. 'Je zit de boel te verzieken', riep hij. Een tijdje later was de kwaliteitskaart van die ambtenaar klaar. Wat stond er op? Dubieus karakter, opportunist, labiel."

In de latere publikaties wordt er bericht over de beëindiging van de reorganisatie en het verbreken van de banden met Terpstra en Tukker en de vermeende verstrengeling van belangen tussen directeur-generaal mr L. Kokhuis van VROM en het bureau van Terpstra en Tukker.

STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klagers zijn van oordeel dat de artikelenreeks van betrokkenen veel te eenzijdig is doordat niet voldoende bronnen geraadpleegd zijn, geen hoor en wederhoor werd toegepast en geen rekening is gehouden met het feit dat Terpstra en Tukker zich vanuit hun positie van adviseur niet in het openbaar konden verdedigen tegen de beschuldigingen uit de artikelen. Klagers benadrukken dat zij tegenover hun opdrachtgever, het Ministerie van VROM, gebonden waren aan hun geheimhoudingsplicht. Die zou geschonden worden wanneer zij in het openbaar de beschuldigingen uit de artikelen hadden weersproken. Pogingen om dit aan betrokkenen duidelijk te maken zijn mislukt omdat betrokkenen
niet voelden voor een algemeen gesprek maar alleen gerichte feitelijke vragen wilden stellen.

Klagers zijn van oordeel dat de publikaties uit de Volkskrant grote schade hebben toegebracht niet alleen aan de naam van hun bureau maar ook aan de vele ambtenaren van Volkshuisvesting, dit laatste omdat het onderzoek van Terpstra en Tukker waaraan deze ambtenaren vrijwillig hadden meegewerkt, achteraf in de Volkskrant belachelijk en verdacht is gemaakt.

Betrokkenen hebben het volgende verweer gevoerd.
1. Hoewel het ministerie zelf zich vanaf het begin af aan zeer gesloten opstelde is er wel veel informatie verstrekt onder de voorwaarde dat de bron niet zou worden genoemd. Dat gebeurde op alle niveaus. Er is ook informatie verstrekt door de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie en ook zijn er vele betrokkenen gehoord van het Directoraat-Generaal Volkshuisvesting zelf.
2. Klager Terpstra zelf was in de beginperiode van de publikaties telkens niet te bereiken, hetgeen hij later heeft toegegeven. Na het artikel van 11 december 1992 werd een afspraak gemaakt voor een gesprek, dat later weer is afgezegd. Daarna was hij beter bereikbaar dan in het begin. Hij wilde echter zelden feitelijke vragen feitelijk beantwoorden.
3. Van partijdigheid is naar het oordeel van betrokkenen geen sprake. Er waren in dit conflict vele partijen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De bezwaren van klagers betreffen in hoofdzaak het feit dat de berichtgeving over dit hooglopende conflict binnen het Ministerie van VROM waarbij de belangen van ambtenaren van overheidsfinanciën betrokken waren, te eenzijdig is geweest. De Raad is van oordeel dat die eenzijdigheid voorkomen had kunnen worden wanneer klagers meer tegenspel hadden geboden. Onweersproken is gesteld dat de journalisten regelmatig pogingen hebben gedaan de reacties van klagers op de gebeurtenissen te verkrijgen. Het feit dat klagers naar hun mening vanuit hun positie van adviseur niet op feitelijke vragen konden ingaan behoefden betrokkenen niet af te houden van publikaties.
Hierbij overweegt de Raad dat het op de weg van klagers zou hebben gelegen van hun opdrachtgever de vrijheid te krijgen tot meer openheid of deze te bewegen die zelf te geven. Dat klagers dit hebben
nagelaten en dat zij niet het nodige hebben ondernomen ter bescherming van de belangen die zij door de handelwijze van betrokkenen geschonden achten, moet voor hun rekening blijven nu zij er niet in geslaagd zijn aannemelijk te maken dat een en ander redelijkerwijs niet van hen gevergd kon worden.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 juni 1993 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr T. Faber De Heer, mr F. Kuitenbrouwer, mr A.J. Heerma van Voss en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1993, 11.