1992/8 ongegrond

J. Hulman tegen de hoofdredacteur van het dagblad Tubantia en de hoofdredacteur van de Graafschapbode

Bij brief van 10 februari 1992 met twee bijlagen heeft J. Hulman te Winterswijk (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het dagblad Tubantia en de hoofdredacteur van de Graafschapbode, G. Selles (betrokkenen). De laatste reageerde op de klacht in een brief van 24 maart 1992. Namens de eerste werd op de klacht gereageerd in een brief van J.A. van Nus, adjunct hoofdredacteur, gedateerd 11 maart 1992. De klacht werd nader schriftelijk toegelicht in een brief van 8 april ]992 door klager waarop nog een reactie volgde van J.A. van Nus in een brief van 17 april 1992.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 26 juni 1992. Betrokkenen zijn niet verschenen. Klager was in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Tussen klager en de in zijn faillissement aangestelde curator is een conflict gerezen over de bestemming van door klager tijdens het faillissement verworven inkomen. Volgens de curator zou zij niet op de hoogte geweest zijn van de inkomsten van klager en zijn deze ten onrechte niet ten goede gekomen aan de boedel. Tengevolge van dit geschil stelde de curator geen geld uit de boedel meer ter beschikking voor het levensonderhoud van klager met als gevolg dat de hypotheeklasten van klagers huis niet meer werden voldaan.

Klager heeft hierop een kort geding ingesteld tegen de curator om de betalingen weer op gang te brengen.

In het dagblad Tubantia en in de Graafschapsbode is op 20 november 1991 een verslag gepubliceerd van het kort geding. Het bericht bevat de volgende passages.

"Mr J. Wolters, die de verdediging voerde van zijn confrère De Waal (de curator RvdJ), wees erop dat via een voor de curator verborgen gehouden bankrekening in Bocholt vergoedingen waren uitbetaald."
en
"Het blijft mogelijk niet bij dit kort geding. Mr Wolters stelde dat het openbaar ministerie Hulman in een strafrechtelijke procedure wil vervolgen wegens bedrieglijke bankbreuk. '

De standpunten van partijen

Volgens klager bevat het verslag in de twee kranten meer informatie dan bij de behandeling van het kort geding naar voren is gekomen. Klager meent dat mr J. Wolters, de advocaat van de curator, bij de behandeling noch gesproken heeft over een door klager verborgen gehouden bankrekening te Bocholt noch over een bij het openbaar ministerie bestaand voornemen om klager te vervolgen wegens bedrieglijke bankbreuk.
Klager betwist de juistheid van deze feiten. Zouden de uitlatingen ter zitting zijn gedaan dan zouden deze zijn tegengesproken. Nu is hem de mogelijkheid tot het geven van een weerwoord onthouden.

Betrokkenen hebben geantwoord dat het verslag wel degelijk de weergave is van hetgeen op de zitting is besproken.

Beoordeling van de klacht
De bezwaren betreffen twee uitlatingen van de advocaat van de curator van klager. Beide uitlatingen betreffende de vraag of klager zich heeft schuldig gemaakt aan het onttrekken van gelden aan de failliete boedel.

Ter zitting van 26 juni 1992 is klager in de gelegenheid gesteld met door hem te produceren schriftelijke verklaringen van derden aan te tonen dat de door hem gewraakte mededelingen niet gedaan werden bij gelegenheid van de behandeling van het kort geding. Nadat klager aanvankelijk uitstel vroeg van de termijn voor inlevering van die verklaringen zijn deze uiteindelijk achterwege gebleven.

De Raad heeft daarom niet kunnen vaststellen of het gaat om informatie, die de verslaggever kreeg buiten de zitting om zodat de Raad niet toekomt aan de beantwoording van de vraag of er al dan niet terecht geen weerwoord is gevraagd. Gezien het vorenstaande moet de Raad de klacht ongegrond verklaren.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van 26 juni 1992 door mr W.D.H. Asser, mr E.C.M. Jurgens, mr G. Dullens, mr A.J. Heerma van Voss en W.H.K. Ammerlaan, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1992, 8.