1992/5 ongegrond

S. van Hettema tegen de Evangelische Omroep

In een brief van 3 maart 1991 met drie bijlagen heeft S. van Hettema te Joure (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredactie van het televisieprogramma Tijdsein van de Evangelische Omroep (betrokkenen). Namens betrokkenen heeft mr G. Rietkerk op de klacht gereageerd in een verweerschrift van 5 april 1991.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 oktober 1991. De behandeling is voortgezet op 10 januari 1992. Klager was telkens in persoon aanwezig en namens betrokkenen was aanwezig mr G. Rietkerk.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In de uitzending van het televisieprogramma Tijdsein van de Evangelische Omroep van 6 december 1990 is aandacht besteed aan het bestaan van malafide christelijke huwelijksbureaus. Ter inleiding van dit programma spreekt de presentator de volgende tekst uit.

"Uit eigen land berichten we dat het droevig gesteld is met de christelijke huwelijksbureaus. Mensen schrijven zich in voor veel geld en horen vervolgens weinig of helemaal niets van bemiddeling. En klachten halen ook al niets uit, omdat die bureaus niet erkend zijn.".

In het programma wordt vervolgens het gebrek aan toezicht op met name alle christelijke huwelijksbureaus aan de kaak gesteld door het horen van teleurgestelde ingeschrevenen en functionarissen uit de hulpverlening.

Klager is als consulent verbonden aan het bureau EHB (Evangelische Huwelijks Bemiddeling). Dit bureau ressorteert onder een stichting met een gelijkluidende naam. Naar aan-leiding van de negatieve reacties, die het bureau EHB na de uitzending ontving kwam er op initiatief van klager contact tot stand tussen het bestuur van de stichting en betrokkenen. Dit leidde tot een overeenkomst waarbij betrokkenen zich verplichtten tot een rectificerende mededeling in de uitzending van het programma Tijdsein van 13 december 1990 alsmede tot de toezegging in de toekomst op positieve wijze aandacht te besteden aan op handen zijnde ontwikkelingen binnen de markt van christelijke huwelijksbureaus. Anderzijds zou de stichting van verdere procedures of acties afzien.
Op grond van deze overeenkomst werd in een uitzending van EO Tijdsein van 13 december 1990 de volgende mededeling gedaan.

"Tot slot nog even onze uitzending van vorige week. Dat ging over de christelijke huwelijkbureaus o.a. We zeiden toen dat het droevig gesteld is met die bureaus. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat dat een te algemene uitspraak was en niet helemaal juist. Feit is en blijft dat de christelijke huwelijkbureaus niet erkend zijn de Raad van Toezicht en dat die Raad dus niets kan met een klacht tegen die christelijke bureaus. Maar inmiddels is ons wel gebleken dat het niet erkend zijn, niet in alle gevallen betekent slecht te zijn. Er zijn ook wel goede."

De standpunten van partijen

Klager is van oordeel dat hij als persoon buiten de tussen de stichting en de EO getroffen overeenkomst staat. Hij is van oordeel dat de rectificerende mededeling van 13 december 1990 de door hem persoonlijk geleden schade niet heeft goedgemaakt nu bedoelde mededeling algemeen is gehouden. Klager meent dat hij met naam en toenaam als gunstige uitzondering genoemd had moeten worden, ook al is zijn naam in de oorspronkelijke uitzending niet vermeld.

Betrokkenen zijn van mening dat klager niet-ontvankelijk is omdat ook klager gebonden is door de met de stichting getroffen overeenkomst. Voorzover er nog een persoonlijk belang is van klager, is daaraan recht gedaan door de rectificerende mededeling van 13 december 1990. Klagers eis dat hij met name als gunstig voorbeeld vermeld zou moeten worden gaat naar de mening van betrokkene veel te ver nu hij in de oorspronkelijke uitzending ook niet met name genoemd is.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat de door betrokkenen met de stichting Evangelische Huwelijks Bemiddeling getroffen overeenkomst het persoonlijk belang van klager bij bezwaren tegen de uitzending onverlet laat zodat de klacht wel ontvankelijk is. De Raad is echter van oordeel dat de rectificerende mededeling van betrokkene ook de persoonlijke belangen van klager in zijn hoedanigheid van huwelijksconsulent bij een christelijk huwelijksbureau dekt.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene in een van de uitzendingen van EO Tijdsein aandacht te besteden aan deze beslissing.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 10 januari 1992 door mr W.D.H. Asser voorzitter, mr T. Faber-de Heer, mr E.C.M. Jurgens, mevrouw A.G. Scherphuis en mevrouw T.M. L├╝cker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1992, 5.