1992/4 gegrond

Uitgeverij Ravijn, Buro Jansen & Janssen en Landelijk Steunpunt Vluchtelingen tegen Mustapha Oukbih

In een brief van 15 april 1991 met twee bijlagen hebben Uitgeverij Ravijn te Amsterdam, het Buro Jansen & Janssen te Amsterdam en het Landelijk Steunpunt Vluchtelingen te Utrecht (klagers) een klacht ingediend tegen Mustapha Oukbih (betrokkene) te Amsterdam. Deze heeft niet op de klacht gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 10 januari 1992. Namens klagers waren aanwezig Eveline Lubbers van Uitgeverij Ravijn en Fjodor Molenaar van het Buro Jansen & Janssen, beiden mede namens het Landelijk Steunpunt Vluchtelingen. Betrokkene is niet verschenen.

De feiten

Buro Jansen & Janssen te Amsterdam heeft in de persoon van F. Molenaar op instigatie van
het Landelijk Steunpunt Vluchtelingen (LSV) een onderzoek verricht naar de positie van vluchtelingen in Nederland. Bij Uitgeverij Ravijn is hierover onder de titel "De vluchteling achtervolgd" een boekje verschenen.
In de uitzending van het VPRO-televisieprogramma Lokole van 31 maart 1991 is aan de verschijning van dat boekje aandacht besteed door betrokkene, freelance journalist en medewerker van genoemd televisieprogramma In de uitzending van het programma Lokole van 14 april 1991 is het boekje opnieuw aan de orde geweest.

De standpunten van partijen

Volgens klagers vond de uitzending van 31 maart 1991 ontijdig plaats en onder schending van de met Lokole-medewerker Mustapha Oukbih gemaakte afspraken. De bedoeling was dat Lokole de primeur van de verschijning van het boekje zou hebben. In verband daarmee kreeg Oukbih de concepttekst in een vroeg stadium toegezonden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij de tekst alleen met medewerkers van het televisieprogramma en ter voorbereiding van dat programma zou mogen bespreken. De overeengekomen uitzendingsdatum was 14 april 1991. Uitgeverij Ravijn moest zich bijzondere inspanningen getroosten om die datum te halen.

Pas op zaterdagavond 30 maart kwamen klagers er achter dat Oukbih het onderwerp reeds in de uitzending van zondag 31 maart zou brengen. De uitzending was toen niet meer tegen te houden. Het boekje was echter nog niet gedrukt. Ook andere voorbereidingen werden door deze vroegtijdige uitzending doorkruist zoals de voorbereiding van kamervragen. Het door klagers voorbereide persoffensief' dreigde hierdoor te mislukken.

Achteraf is komen vast te staan dat de verantwoordelijke VPRO-redacteur niet op de hoogte was van de afspraken tussen klagers en Oukbih. De VPRO heeft de schade zoveel mogelijk hersteld door in de uitzending van 14 april 1991 opnieuw aandacht aan de verschijning van het boekje te besteden. Op dat moment was het wel gedrukt en kon er nog coördinatie plaatsvinden met andere activiteiten.

Beoordeling van de klacht

De bezwaren van klagers betreffen de schending van afspraken over de datum van een televisie-uitzending en de daarmee samenhangende verschijning van het boekje "De vluchteling achtervolgd". Gezien het uitblijven van verweer van betrokkene Oukbih enerzijds en de erkenning door de verantwoordelijke VPRO-redacteur dat Oukbih zich niet aan de afspraak gehouden heeft gaat de Raad er vanuit dat de bezwaren van klagers gesteund worden door de feiten. Dit betekent dat betrokkene Oukbih de grenzen heeft overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

Daar de VPRO-televisie reeds al het mogelijke heeft gedaan om de door betrokkene Oukbih veroorzaakte schade te herstellen ziet de Raad geen aanleiding bekendmaking in het televisieprogramma Lokole van deze beslissing te vragen.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 10 januari 1992 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr T. Faber-De Heer, mr E.C.M. Jurgens, mevrouw A.G. Scherphuis en mevrouw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1992, 4.