1992/19 gegrond

SWOV tegen Rob Biersma en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad

Per brief van 8 mei 1992 met één bijlage en aanvullende brief van 16 juni 1992 met één bijlage heeft de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) te Leidschendam (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalist Rob Biersma en de hoofdredacteur van NRC Handelsblad, dr B. Knapen (betrokkenen).
Deze laatste heeft op de klacht gereageerd in een brief van 17 juni met vijftien bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 november 1992. Klaagster werd op die zitting vertegenwoordigd door haar directeur drs M.J. Koornstra, met juridische bijstand van mr J.W.R. Sanders, advocaat te Den Haag. Betrokkenen waren beiden in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Op 12 mei 1992 zou in de Tweede Kamer gesproken worden over het voornemen van de minister van Verkeer en Waterstaat in het najaar 1992 bij wijze van experiment het voeren van dimlicht overdag door automobilisten verplicht te stellen.
In NRC Handelsblad van 6 mei 1992 is onder de kop "Verplichting tot dimlicht overdag is overbodig en weerzinwekkend" een artikel gepubliceerd van Rob Biersma over de wetenschappelijke onderbouwing van de plannen van de minister. Waar de minister in een brief aan de Kamer een beroep heeft gedaan op de resultaten van verplichte dimlichtvoering in Denemarken met een ongevallendaling van tenminste 17% schrijft Biersma het volgende.
"Dat is klare taal. Twijfelaars die dat dimlicht overdag maar onzin vonden en niet mee wilden werken aan een experiment met onzekere uitkomst, zullen nu wel over de streep zijn getrokken. Zeventien procent minder verkeersongevallen door het voeren van een paar simpele lampjes! Dat zou de grootste daling van na de oorlog betekenen.
Maar het is niet waar. Sterker nog, het is moedwillig verdraaide statistiek, grenzend aan bedrog, zoals ook vorige jaren de dimlicht-lobby van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) opzettelijk of uit incompetentie verkeerde cijfers presenteerde. Hierover schreef ik al eerder op deze pagina (op 2 en 29 januari 1992)."

In het onder de kop "Dimlicht-lobby houdt vol, ook zonder argumenten" op 13 juni 1992 gepubliceerde vervolgartikel komen de volgende passages voor.

"Vorig jaar en vorige maand schreef ik dat de dimlicht-lobby van de SWOV en het Ministerie niet schroomt de feiten naar zijn hand te zetten. Ik gaf een lijstje met aperte fouten, verdraaiingen en weglatingen. Hierop werd door de SWOV niet gereageerd, ondanks het aanbod van NRC Handelsblad om zich tegen de aantijgingen in het openbaar te verdedigen. In plaats daarvan deponeerde de SWOV een klacht wegens laster bij de officier van justitie en een klaagschrift bij de Raad voor de Journalistiek."
En
"Op grond waarvan klaagt de SWOV NRC Handelsblad aan? Het is om de volgende passage: 'Sterker nog, het is moedwillig verdraaide statistiek, grenzend aan bedrog, zoals ook vorige jaren de dimlicht-lobby van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat de SWOV opzettelijk of uit incompetentie verkeerde cijfers presenteerde.' Dit zijn inderdaad zware beschuldigingen en onduldbaar als ze niet waar zouden zijn. Maar ze zijn wel waar. De SWOV en het Ministerie verdraaien statistiek, laten onwelgevallige resultaten weg en veranderen cijfers als het in hun kraam te pas komt."

Beide artikelen verschenen op de opiniepagina.

De standpunten van partijen

Klaagster acht zich beledigd en aangetast in haar eer en goede naam door de volgende, in beide artikelen voorkomende, mededeling: "sterker nog, het is moedwillig verdraaide statistiek, grenzend aan bedrog, zoals ook vorige jaren de dimlicht-lobby van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) opzettelijk of uit incompetentie verkeerde cijfers presenteerde" alsmede door de in de publikatie van 13 juni 1992 voorkomende beschuldiging dat klaagster en het Ministerie "niet schroomt de feiten naar zijn hand te zetten" en de zin "de SWOV en het Ministerie verdraaien statistiek, laten onwelgevallige resultaten weg en veranderen cijfers als het in hun kraam te pas komt." Het bezwaar van klaagster is dat Biersma zijn kritiek in nodeloos krenkende en grievende bewoordingen heeft gesteld en dat klaagster beschuldigd wordt van opzettelijke misleiding nog afgezien van het feit dat hetgeen Biersma schrijft niet waar is, hetgeen hij had kunnen en behoren te weten.

Klaagster wijst er op dat zij een onafhankelijk instituut is, dat het ministerie adviseert. Klaagster is niet verantwoordelijk voor gedragingen van het ministerie en evenmin heeft zij invloed op de inhoud van stukken, die de minister opstelt. Indien klaagster signaleert dat het ministerie bij het gebruik van verstrekte adviezen fouten maakt wordt dat wel aan de orde gesteld. Een voorbeeld daarvan is het gebruik van de Deense cijfers. Het is en blijft echter de minister, die verantwoordelijk blijft voor dat gebruik.

In de publikaties worden klaagster en het ministerie ten onrechte over een kam geschoren. Biersma had kunnen weten uit publikaties van klaagster op welke punten zij een ander standpunt inneemt dan de minister. Voor de aan het adres van klaagster gedane aantijgingen is geen enkele grond. Het aanbod van de redactie tot een weerwoord is niet aangenomen omdat het klaagster niet gaat om een inhoudelijk debat maar om het terugnemen van de jegens haar gedane aantijgingen.

Betrokkenen hebben geantwoord dat de artikelen niet de bedoeling hebben gehad klaagster te krenken of te beledigen noch om de waarde van klaagster als wetenschappelijk onderzoeksinstituut in het algemeen te bekritiseren. Het gaat uitsluitend om het gebruik van statistisch materiaal met betrekking tot de relatie dimlichtvoering enerzijds en ongevallendaling anderzijds. Ter voorlichting van het publiek en om een debat uit te lokken heeft betrokkene Biersma in de daartoe geëigende opiniepagina van de krant op bewust prikkelde toon kritiek geuit, die zich met name richt tot de minister. Klaagster is daarbij genoemd vanwege de nauwe band tussen haar en het ministerie.
Waar klaagster zich beroept op onafhankelijk onderzoek geldt voor Biersma dat hij zich eveneens gesteund weet door deskundigen. Verwezen wordt naar kritiek van TNOdeskundige dr J.B.J. Riemersma op de Deense studie.
Waar het verder om gaat is dat de door klaagster gestelde onafhankelijkheid ten opzichte van het ministerie voor de buitenwacht niet duidelijk is. De erkenning van klaagster ter zitting dat de Deense cijfers door de minister niet juist zijn gebruikt is voor de buitenwacht evenmin kenbaar. Voor de in de publikaties aangegeven verstrengeling is daarom wel degelijk grond.

Beoordeling van de klacht

De Raad is van oordeel dat de aangevallen passages ernstige beschuldigingen inhouden, die zich niet alleen tot het ministerie richten maar ook tot de SWOV. Anders dan betrokkenen hebben willen betogen worden beide naar het oordeel van de Raad wel degelijk op één lijn gesteld. De Raad is van oordeel dat dit onjuist is. De Raad gaat er vanuit dat de wijze waarop het ministerie gebruik maakt van door klaagster in (overigens niet openbare) rapporten verstrekt statistisch materiaal niet toegerekend kan worden aan klaagster. Hoe zeer ook verschillend kan worden gedacht over het gebruik van dit statistische materiaal, het artikel maakt niet waar dat klaagster met opzet verkeerde gegevens verstrekt of onjuiste conclusies trekt. De Raad is van oordeel dat betrokkenen door deze beschuldiging jegens klaagster de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 november 1992 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr G. Dullens, W.H.K. Ammerlaan, mr D.T. Dalmolen en M.J. Kes, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1992, 19.