1992/16 ongegrond

Theo V tegen Cees Koring (de Telegraaf)

Per brief van 17 september 1991 met twee bijlagen heeft Theo V te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de journalist Cees Koring (betrokkene) wegens twee publikaties in de Telegraaf. Per brief van 12 november 1991 heeft de hoofdredacteur van de Telegraaf H.L. de Haas laten weten dat van de zijde van de krant geen gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid op de klacht te reageren.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 september 1992. Klager werd vertegenwoordigd door zijn advocaat mr C. Korvinus. Betrokkene is niet verschenen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In de afleveringen van de Telegraaf van vrijdag 21 juni en zaterdag 22 juni 1991 is onder de kop "De tankstation-moorden" een reportage verschenen van Cees Koring over de toedracht van twee roofovervallen op tankstations in Maarsbergen en Best op 2 respectievelijk 8 mei 1992, waarbij twee pompbedienden door schoten van de overvallers om het leven kwamen. Tot de drie verdachten behoort Theo V. Deze wordt in de reportage genoemd in onder meer de volgende passages.

"Theo V was ook geen onbekende van de politie. Hij stond in de computer als pleger van geweldmisdrijven, bezitter van verboden wapens en gebruiker van verdovende middelen."
"De ouders van Maarten zagen de vriendschap van hun zoon met Theo V met lede ogen aan. Zij vonden V een louche fantast, die een faliekant verkeerde invloed op Maarten had en die verhinderde dat hun jongen naar de Kunstacademie zou gaan."

"Theo V (...) crimineel verleden en zijn gemakkelijk te beïnvloeden vriend Maarten "

"Maarten zou later verklaren dat hij had geschoten omdat hij bang was dat Van Soest hem zou herkennen, en dat Theo had gezegd dat, als er geschoten moest worden, altijd op de hartstreek gericht moest worden".

De standpunten van partijen

De bezwaren van klager zijn de volgende.
1. De journalist heeft de publieke opinie en daarmee ook de rechter in het nadeel van klager beïnvloed door vooruitlopend op de behandeling ter terechtzitting de rol van klager eenzijdig en op tendentieuze te belichten door middel van kennelijke citaten uit vertrouwelijke stukken als het proces-verbaal zonder daarop het commentaar van klager te vragen. Klager wordt als hoofddader voorgesteld, zulks waar uit de in hoger beroep opgelegde straffen blijkt dat dit niet het geval was.
2. Een aantal feiten worden als waar gepresenteerd voordat de juistheid daarvan in een rechtszaak is vastgesteld.

Beoordeling van de klacht

De Raad acht het aannemelijk dat betrokkene in zijn artikelen inderdaad gebruik heeft gemaakt van onder meer de processen-verbaal uit het strafdossier. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene bij het geven van zijn visie op de zaak een voldoende evenwichtige selectie gemaakt uit door hem verzamelde feiten zodat hij klager niet zelf om commentaar behoefde te vragen. De artikelen vermelden ook de visie van klager namelijk dat naar diens oordeel zijn medeverdachte Maarten de kwade genius was. Het eerste onderdeel van de klacht acht de Raad derhalve ongegrond.

Wat betreft het tweede onderdeel, klager heeft niet waargemaakt dat betrokkene welbewust feiten onjuist heeft gepresenteerd. De opvatting van klager dat de feiten betreffende zijn strafzaak pas mochten worden gepresenteerd nadat de juistheid daarvan door de rechter was vastgesteld wordt door de Raad niet gedeeld. Aanvaarding daarvan zou tot een vergaande beperking van de journalistieke vrijheid leiden die in de omstandigheden van het geval geen rechtvaardiging vindt. De Raad acht ook dit onderdeel van de klacht niet gegrond.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 28 september 1992 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-De Heer, W.F.. de Pagter, K. Wiese en mevrouw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Kartsens, secretaris.

RvdJ 1992, 16.