1992/14 deels gegrond

De gemeenteraadsfractie van Groen Links te Den Haag tegen de hoofdredacteur van Nieuwe Revu en Marianne Stuit

Per brief van 27 april 1992 met twee bijlagen heeft Jeannine Molier namens de gemeenteraadsfractie van Groen Links te Den Haag (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Nieuwe Revu en redactrice Marianne Stuit (betrokkenen).
In een brief van 9 juni 1992 met één bijlage heeft Jean Mentens, hoofdredacteur van Nieuwe Revu, op de klacht gereageerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 september 1992. Namens klaagster is verschenen mr G.J. Kemper te Amsterdam. Betrokkenen hadden laten weten verhinderd te zijn.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Na een conflict binnen de gemeenteraadsfractie van Groen Links te Den Haag over het functioneren van de Surinaamse schrijfster Astrid Roemer als lid van die fractie heeft deze op 3 februari 1992 in een openbare verklaring aan de pers meegedeeld dat zij besloten had de fractie te verlaten maar haar zetel in de gemeenteraad wel te behouden.

De algemene ledenvergadering van de afdeling Den Haag van Groen Links heeft op 5 februari 1992 een motie aangenomen waarin als mening van de fractie wordt uitgesproken "dat de wijze waarop Astrid Roemer invulling heeft gegeven aan het raadslidmaatschap, qua politieke inhoud, qua inzet en qua interne samenwerking niet aan de verwachtingen heeft voldaan".
Aan dit besluit en het daarmee samenhangende conflict heeft de journaliste Marianne Stuit een artikel gewijd in aflevering 9/1992 van Nieuwe Revu. De bij het artikel geplaatste kop luidt "Astrid Roemer slaat terug". Boven die kop staat de sub-kop afgedrukt "Hoe racistisch is de Haagse Groen Links afdeling?" met het volgende bijschrift. "Astrid Roemer, schrijfster en sinds twee jaar raadslid voor Groen Links, werd de afgelopen weken uit haar zetel gejaagd. De Groen Links fractie in de Haagse gemeenteraad betichtte de Surinaamse van, schrik niet: domheid, luiheid en gebrek aan aanpassingsvermogen. Een voorbeeld van Groenlinkse daadkracht? Of was de fractie gewoon ziekelijk jaloers op hun prominente collega?"

Het artikel zelf bestaat uit een inleiding gevolgd door een vraaggesprek met Astrid Roemer. Die inleiding bevat de volgende passage:

"Dat dit conflict in volle hevigheid is losgebarsten, bleek de afgelopen weken uit de kranten. De fractie kieperde via de pers strontkarren vol kritiek over Roemer uit.'

De standpunten van partijen

De bezwaren van klaagster tegen het artikel zijn de volgende.
1. Het artikel bevat een groot aantal uitspraken van Astrid Roemer waarmee klaagster het niet eens is. Klaagster meent dat Marianne Stuit wederhoor had moeten toepassen.
2. De mededelingen "De Groen Links fractie in de Haagse gemeenteraad betichtte de Surinaamse van, schrik niet: domheid, luiheid en gebrek aan aanpassingsvermogen" en"De fractie kieperde via de pers strontkarren vol kritiek over Roemer uit" zijn controleerbaar onjuist.
De kwalificaties uit de eerste zin zijn door klaagster nimmer met betrekking tot Astrid Roemer gebezigd. Ook werden geen "strontkarren vol kritiek" over haar "uitgekieperd". De fractie heeft slechts enige zorgvuldig geredigeerde persverklaringen uitgegeven.
3. De van een vraagteken voorziene kop "Hoe racistisch is de Haagse Groen Links afdeling" is geen open vraag maar suggereert dat de fractie racistisch is. Racistische denkbeelden of motieven hebben echter in het conflict geen enkele rol gespeeld en in het artikel wordt het omgekeerde ook niet waargemaakt. Met name deze beschuldiging acht klaagster grievend en schadelijk voor Groen Links.
De hoofdredacteur van Nieuwe Revu bleek echter niet bereid een excuserende mededeling in een volgende aflevering van Nieuwe Revu op te nemen.

De Raad vat de reactie van betrokkenen samen als volgt.
1. Het artikel is tot stand gekomen na bestudering van alle artikelen in kranten en tijdschriften over het conflict en na gesprekken met enige betrokkenen.
2.In de motie van de Groen Links fractie staat dat Astrid Roemer "qua politieke inhoud, qua inzet en qua interne samenwerking" niet aan de verwachtingen had voldaan. Anders gezegd: Roemer was onbekwaam c.q. dom en lui en ze wilde zich niet aanpassen.
De fractie heeft via de pers wel degelijk veel kritiek op Astrid Roemer naar buiten gebracht.
3. De in de motie geuite kritiek is door Astrid Roemer als racistisch ervaren naar zij in het vraaggesprek meedeelde. Zij vertelde: "in de wijze waarop zij hun klachten formuleren zie je de echo van stereotiepe beelden over zwarten. Zoals: ze stopte niet genoeg tijd in haar werk. Het stereotiep is: Surinamers zijn lui. Zulke dingen: domheid, luiheid en gebrek aan aanpassingsvermogen".

Beoordeling van de klacht

De Raad zal de verschillende onderdelen
van de klacht afzonderlijk bespreken.
1.De Raad beschouwt de inleiding op het artikel als een samenvatting van het interview zelf, dus van meningsuitingen van Astrid Roemer. Wederhoor kon daarom achterwege blijven.
2. Het "uitkieperen van strontkarren vol kritiek" is naar het oordeel van de Raad feitelijk gezien niet onjuist omdat inderdaad via diverse persverklaringen kritiek naar buiten werd gebracht. Het gekozen woordgebruik valt binnen de journalistieke vrijheid van betrokkenen.
3. De mededeling "De Groen Links fractie in de Haagse gemeenteraad betichtte de Surinaamse van, schrik niet: domheid, luiheid en gebrek aan aanpassingsvermogen" acht de Raad een onjuiste en grievende vertaling van de in de motie opgegeven redenen voor het opzeggen van het vertrouwen in Astrid Roemer. Ook het interview zelf draagt geen feiten aan waardoor wordt waargemaakt dat klaagster Astrid Roemer van domheid en luiheid beschuldigd zou hebben.
Dit onderdeel van de klacht acht de Raad gegrond.
4. Ook naar het oordeel van de Raad suggereert de kop dat de Haagse Groen Links fractie zich schuldig heeft gemaakt aan racisme jegens Astrid Roemer, een beschuldiging die betrokkenen voor eigen rekening hebben genomen. Uit het vraaggesprek met Astrid Roemer blijkt dat Roemer het gedrag van de fractie als racistisch heeft ervaren. Daarmee staat echter nog geenszins vast dat de fractie zich daadwerkelijk racistisch heeft gedragen. Gezien de ernst van de beschuldiging is de Raad van oordeel dat betrokkenen met de aangevallen kop de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Ook dit onderdeel van de klacht acht de Raad gegrond.

Beslissing

De Raad wijst twee onderdelen van de klacht af en verklaard deze in twee onderdelen gegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Nieuwe Revu te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad op 28 september 1992 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-De heer, W.F. de Pagter, K. Wiese en mevrouw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1992, 14.