1991/5 ongegrond

Damesbeurs tegen Femmy ten Cate

Per brief van 11 september 1990 met drie bijlagen heeft mr J. Voute te 's-Gravenhage namens J. de Kreek te 's-Gravenhage, handelend onder de naam 'De Damesbeurs' (klager) een klacht ingediend tegen de journaliste Femmy ten Cate (betrokkene). Deze heeft op de klacht geantwoord in een brief van 12 december 1990 met twee bijlagen.
De klacht is behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 1991. Partijen waren in persoon aanwezig. Klager werd bijgestaan door mr J. Voute.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Klager is sinds 26 jaar organisator van de Damesbeurs te 's-Gravenhage In de aflevering van mei 1990 van het blad Management Magazine Bedrijfsdocumentaire is onder de kop 'Een hoofdrol voor de beursorganisator' een artikel gepubliceerd van Femmy ten Cate over de Huishoudbeurs te Amsterdam en andere soortgelijke beurzen in Nederland. De bespreking van de Damesbeurs te 's-Gravenhage wordt ingeleid met de zin 'Bedroevend dieptepunt was de afgelopen Damesbeurs in Den Haag'. Over de oorzaak daarvoor vermeldt dit artikel: 'Velen wijzen met de vinger naar de organisator.' De mening van 'veel exposanten' wordt weergegeven in een aantal citaten van de heer W.D. Lescrauwaet, waaronder de volgende:

'Er waren geen publiekstrekkers, zoals bijvoorbeeld modeshows, maar uitsluitend stands.'
'Er waren te veel stands met dezelfde produkten, andere beurzen zijn hierin veel strikter. In verhouding tot het gebodene - in één à twee uur had je alles gezien- was de entreeprijs veel te hoog. Het belangrijkste probleem was echter de sfeer.'
'Voor een goed gesprek of voor verkoop is het belangrijk dat een beurs gezellig is. Als standhouders waren wij aan allerlei regels gebonden, bijvoorbeeld wat de inrichting betrof. Maar de organisatie zelf had van de aankleding van de hal nauwelijks werk gemaakt '
'Nog bepalender voor de sfeer was de angst van de exposanten voor de beursorganisator. Op overtreding van de regels stonden fikse boetes. Sprak je bijvoorbeeld een klant aan en je stond met een halve voet buiten je stand, dan had je een boete van fl 1000,-- aan je broek hangen. Na inschrijving kreeg je bijna wekelijks post van de organisatie Formulieren die je, op straffe van alweer een boete, voor een bepaalde datum moest terugsturen, of een schrijven met weer nieuwe regels en bepalingen. Een collega had, op een bedrag van fl 4000,--, 40 cent te weinig overgemaakt, hij mocht niet aan het opbouwen beginnen voordat die 40 cent betaald was. De beursorganisator liet fout geparkeerde auto's van exposanten door de politie wegslepen, omdat zij geen parkeerabonnenment bij hem hadden gekocht. De organisatie greep alle mogelijkheden aan om te incasseren, maar er stond, behalve een lege hal en het aanvoeren van bejaarden, die geen entree hoefden te betalen, niets tegenover. Oplichterij is overdreven, maar de term zakkenvullen is wel op z'n plaats. De zaak is dusdanig uit de hand gelopen dat beursorganisator De Kreek en standhouders elkaar te lijf zijn gegaan.'

De standpunten

De Raad vat de bezwaren van klager als volgt samen.
1. Het artikel bevat vele onjuistheden en is onvolledig.
Zo wordt niet vermeld dat zich voor de Statenhal, waar de Damesbeurs werd gehouden, een enorme bouwput bevond, die er al was tijdens de inschrijvingsperiode, waar door een aantal standhouders afgehaakt had. Ook had die bouwput een negatieve invloed op het bezoekersaantal.
Er waren wél publiekstrekkers, zoals een grote poppententoonstelling.
De boeteclausule uit de contracten tussen de organisator en de deelnemers aan de beurs is bedoeld om preventief te werken, maar wordt in de praktijk vrijwel nooit ingeroepen. Klager heeft nimmer auto's laten wegslepen en had met het parkeren niets te maken. Parkeerkaarten konden bij een zelfstandige organisatie verkregen worden.
2. Betrokkene heeft zich gebaseerd op de informatie van slechts enkele standhouders, waarvan er in het artikel maar eén wordt genoemd en zij was bovendien vooringenomen wegens persoonlijke banden met een standhouder, die voor het eerste jaar meedeed.
3. Betrokkene heeft ten onrecht nagelaten klager zelf te horen. Met name de opmerking over "zakkenvullen" had zij niet mogen overnemen zonder klagers reactie te vragen.

Betrokkene heeft geantwoord dat zij haar schets van de Damesbeurs gebaseerd heeft op gesprekken met zeer veel standhouders. Zij kreeg vrijwel uitsluitend negatieve informatie, waarvan zij slechts een gedeelte heeft gebruikt. Alles wat zij in het artikel heeft vermeld is haar door meer dan één deelnemer bevestigd. Daar zij standhouder Lescrauwaet representatief achtte voor de gemiddelde standhouder heeft zij zich in het artikel beperkt tot citaten uit het gesprek met hem .
Haar persoonlijke banden met één van de stand houders hebben haar wel op het idee gebracht voor het artikel, maar hebben haar niet bevooroordeeld. Het idee voor het artikel bestond al voor de beurs plaatsvond; dat blijkt ook uit het feit dat zij toen al contact legde met klager Deze bleek op het moment van haar bezoek niet te spreken. Betrokkene meent achteraf gezien dat zij meer moeite had kunnen doen om klager alsnog te horen. Klager is niet ingegaan op een aanbod van de redactie van het blad een corrigerend bericht op te nemen in het septembernummer.

Beoordeling

Betrokkene heeft in een persoonlijk geschreven stuk over de Huishoudbeurs en andere, dergelijke beurzen een oordeel gegeven over de Damesbeurs te 's-Gravenhage. Naar het oordeel van de Raad is daarbij niet gebleken van vooringenomenheid aan de zijde van betrokkene. Zij heeft waargemaakt dat zij niet alleen is afgegaan op de in het artikel met name genoemde standhouder, maar dat zij ook met vele andere standhouders heeft gesproken. Het stond betrokkene vrij zich bij het weergeven van de opvattingen van de gehoorde standhouders te beperken tot het geven van citaten van de door haar als representatief beschouwde standhouder. De Raad heeft - afgezien van de niet aannemelijk gemaakte bemoeienis van klager met de fout-parkeerders - niet kunnen vaststellen wat in het artikel feitelijk onjuist is.
Daar betrokkene zelf geen onderzoek deed en alleen afging op mededelingen van derden had zij er beter aan gedaan klager te horen voor publikatie en in zoverre heeft betrokkene onjuist gehandeld. Nu de redactie klager een weerwoord heeft aangeboden om eventuele nadelige gevolgen van de publikatie weg te nemen met het oog op toekomstige beurzen is de journalistieke gedraging van betrokkene als geheel niet zodanig dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen, gelet op haar journalistieke verantwoordelijkheid, aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond .

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of samengevat te publiceren in Management Magazine Bedrijfsdocumentaire.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 13 mei 1991 door mr P.J. Boukema, voorzitter, J. de Vries, J.L.K. de Troye, mr F. Kuitenbrouwer en mevrouw T.M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1991, 5.