1991/4 ongegrond

Lakeman Publishers tegen Egbert Barten en Pamela Hemelrijk

Bij brief van 10 december 1990 met vier bijlagen heeft P.T. Lakeman te Amsterdam handelend als uitgever onder de naam Lakeman Publishers te Amsterdam (klager) mede namens Nanda van der Zee te Amsterdam een klacht ingediend tegen E.W. J. Barten en Pamela Hemelrijk (betrokkenen). De eerste heeft op de klacht gereageerd bij brief van 20 januari 1991 met één bijlage. Hierop reageerde klager in een brief van 28 januari en vervolgens Barten in een brief van 25 februari 1991 Betrokkene Hemelrijk reageerde in een brief van 14 januari 1991 met één bijlage.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 13 mei 1991 Partijen waren in persoon aanwezig evenals Martin van Amerongen, hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Klager heeft in oktober 1990 het boek 'De kamergenoot van Anne Frank', geschreven door Nanda van der Zee, uitgegeven. Dit boek is besproken in De Groene Amsterdammer van 7 november 1990 door betrokkene Barten en in het Nieuw Israelitisch Weekblad van 2 november 1990 door betrokkene Hemelrijk.
De recensie van Barten heeft als kop "Nanda van der Zee en de fictie van Het Achterhuis" en bevat de volgende passage.

'Een historisch werk, ook al is het verhalende karakter ervan prominent, moet controleerbaar zijn en wanneer je je aan die wetenschappelijke controle wilt onttrekken door bronnenmateriaal te verzinnen of er op los te fantaseren, dan kun je je beter niet afficheren als historicus.
Het was om soortgelijke reden dat het boek van Van der Zee over Jacques Presser aan de Universiteit van Amsterdam niet kon word verdedigd als proefschrift. In een recensie van het Presser-boek in Volkskrant verweet de historicus Bank Van der Zee 'historische onverschilligheid', gebrek aan kritische distantie en analyserend vermogen bij het puur vanuit de emotie benaderen van een onderwerp. Banks recensie heeft achteraf gezien zijn schaduw vooruit geworpen, want het zijn naast het vervalsen van bronnenmateriaal precies die elementen waardoor van der Zee - nu zij in haar tweede boek aantoont niets te hebben geleerd toch nauwelijks meer serieus kan worden genomen als historica.'

De recensie in het NIW heeft als kop 'Van der Zee drijft mee op golf van holocaust literatuur' en bevat onder het kopje 'Onnauwkeurigheid' de volgende passage.

'Er staat trouwens nog een historische onnauwkeurigheid van formaat in dat boek. Als we Nanda van der Zee moeten geloven kon Pfeffer al in 1939 niet meer met zijn geliefde Charlotte trouwen, omdat de Nederlandse autoriteiten reeds toen, om de Duitsers niet voor het hoofd te stoten, de nazi-wetgeving naleefden die gemengde huwelijken verbood. Toen ik daarover bij het RIOD navraag deed omdat ik het niet vertrouwde, ging er daar een Homerisch gelach op.'
In De Groene Amsterdammer van 28 november 1990 is onder de kop 'Rectificatie' de volgende mededeling van de hoofdredactie opgenomen.
'In De Groene Amsterdammer van 7 november jl heeft een van onze medewerkers in een recensie van Nanda van der Zee's boek 'De kamergenoot van Anne Frank' geschreven dat de biografie Jacques Presser: het gelijk van de twijfel' door de Universiteit van Amsterdam als proefschrift is geweigerd wegens gebrekkigheid van het bronnenmateriaal.
Deze mededeling is feitelijk onjuist.
Wij zouden het betreuren als wij met de geheel onjuiste informatie de reputatie van de historica Nanda van der Zee hebben geschaad.'

De standpunten

De bezwaren van klager tegen betrokkene Barten hebben betrekking op de boven aangehaalde passage uit diens recensie. De klacht luidt als volgt: 'Barten heeft de lasterlijke aantijgingen over bronnenvervalsingen en afgekeurde proefschriften kwaadaardig uit zijn duim gezogen .'
De geplaatste rectificatie neemt de bezwaren van klager tegen Barten niet weg. Het is immers een rectificatie van de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer en niet een waarin Barten zelf zijn beweringen terugneemt en bovendien heeft de rectificatie alleen betrekking op de mededeling over het proefschrift van Van der Zee over de zaak Presser.
De bezwaren tegen de recensie van Hemelrijk richten zich tegen de eerste en de laatste zin van de boven aangehaalde passage uit die recensie. De klacht luidt als volgt 'Hemelrijk verdraait de feiten echter ontoelaatbaar Het (lichte) gelach betrof niet een onnauwkeurigheid van Van der Zee maar een zelf bedachte vraag van Hemelrijk.' Klager verwijst voor wat betreft dit laatste naar een brief van Hans de Vries van het RIOD van 29 november 1990 aan Nanda van der Zee met de volgende tekst.
'In dit gesprek stelde zij mij de vraag of 'voor de oorlog de Neurenberger Wetgeving met betrekking tot het gemengd huwen ook in Nederland werd toegepast' Ik heb om deze vraag gelachen omdat ze onzinnig is. De journaliste vertelde er evenwel niet bij dat de jood in kwestie een gevluchte jood was In dit geval komt de zaak anders te liggen en is hetgeen hier omtrent op blz 32 van uw boek 'De kamergenoot van Anne Frank' staat vermeld, alleszins verdedigbaar.'
Barten heeft geantwoord dat naar zijn mening voor een klacht bij de Raad voor de Journalistiek geen plaats meer is, omdat in overleg tussen klager en de hoofdredacteur van De Groene Amsterdammer ter beëindiging van het geschil een rectificatie is geplaatst. De term 'het vervalsen van bronnenmateriaal' met betrekking tot het besproken boek 'De kamergenoot van Anne Frank' moet worden verstaan als 'het verzinnen van bronnenmateriaal' . Bedoeld is dat in het boek een vraaggesprek wordt gesuggereerd met de geliefde van de in Het Achterhuis ondergedoken tandarts Pfeffer.

Betrokkene Hemelrijk heeft geantwoord dat zij bij verschillende deskundigen van het RIOD navraag heeft gedaan over de stelling van Van der Zee dat Nederlandse ambtenaren al voor de oorlog de in Duitsland geldende wet volgden waarbij huwelijken tussen joden en niet-joden verboden werden. De reactie van verbazing en ook gelach heeft zij samengevat in de term 'een Homerisch gelach'. Waar het vooral om gaat is dat haar uitdrukkelijk bevestigd is dat er van regeringszijde geen richtlijn is uit gegaan zoals in het boek van Nanda van der Zee wordt gesuggereerd.

Beoordeling

De Raad is van oordeel dat de klacht tegen de recensie van Barten geen doel treft voorzover het gaat om de mededeling over de reden van weigering van het proefschrift van Nanda van der Zee over Jacques Presser. Deze onjuiste mededeling is immers in De Groene Amsterdammer gerectificeerd. Het feit dat de rectificatie is ondertekend door de hoofdredacteur en niet door betrokkene Barten doet daaraan niet af.
Wat betreft de term 'het vervalsen van bronnen' meent de Raad dat deze niet gelukkig gekozen is omdat vervalsen activiteiten veronderstelt, die het daglicht niet kunnen velen. Daar uit de context blijkt dat de recensent bedoeld heeft het opvoeren van een bron, die in werkelijkheid niet heeft bestaan, namelijk een gefingeerd interview, is door het gebruik van de gewraakte term niet de grens overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van de recensent maatschappelijk aanvaardbaar is.
Met betrekking tot de klacht tegen Hemelrijk is de Raad van oordeel dat evenmin de grenzen zijn verschreden van hetgeen gelet op haar journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is. De term 'Homerisch gelach' is een pregnante omschrijving van de reactie van het RIOD op de in het artikel weergegeven vraag. Het stond betrokkene Hemelrijk vrij deze omschrijving te gebruiken in haar persoonlijk getinte recensie. Ook het verwijt van onnauwkeurigheid mocht worden gemaakt en wel op grond van de door het RIOD verstrekte informatie dat een algemeen verbod van gemengde huwelijken in navolging van de Duitse wetgeving hier te lande voor de oorlog niet bestond en dat mogelijke ambtelijke tegenwerking bij dergelijke huwelijken daar dus niet op gebaseerd kon zijn.

Beslissing

De Raad acht beide klachten ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in respectievelijk De Groene Amsterdammer en het NIW wordt gepubliceerd .

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 13 mei 1991 door mr P.J. Boukema, voorzitter, J.L. de Troye, J. de Vries, mr F. Kuitenbrouwer en mevrouw T.M. Lucker, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1991, 4.