1991/24 gegrond

Renée Smithuis tegen Jos Slats

Per brief van 9 september 1991 met zeven bijlagen heeft Renée Smithuis te Castricum (klaagster) een klacht ingediend tegen Jos Slats (betrokkene) wegens een artikel in de Volkskrant. Drs H Lockefeer, hoofdredacteur van de Volkskrant, heeft in een brief van 23 september 1991 met één bijlage op de klacht gereageerd. Klaagster heeft schriftelijk gerepliceerd op 21 oktober 1991.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 20 december 1991 Beide partijen waren in persoon aanwezig.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In de Volkskrant van 10 augustus 1991 is onder de kop 'Zo vals als een kraai' met daaronder in kleinere letters 'Het gedraai van de kunstkenners om het werk van Jan Altink' een artikel van Jos Slats gepubliceerd over vervalsing van het werk van de Groningse Ploeg schilder Jan Altink. Deze zaak kwam aan het licht door een waarschuwing van klaagster aan het Amsterdamse veilinghuis Christie's op 16 mei 1991. Klaagster heeft een kunsthandel te Heiloo en is gespecialiseerd in onder meer het werk van Altink. De door Christie's aangeboden stukken waren naar haar mening vals. In drie eerdere gevallen waarin zij met door haar als vals bestempeld werk was geconfronteerd had zij daarover gezwegen. Het artikel bevat hierover de volgende passages.

'Ze maken een afspraak (Klaagster en Van Loenen - RvdJ) ( ...) 'Ze was erg enthousiast', aldus Van Loenen. 'Maar ook erg zakelijk. Ze wilde de gouaches niet kopen, maar bood aan ze in consignatie te nemen om te proberen via de galerie een koper te vinden. Toen ik liet weten dat ik liever meteen tot zaken wilde komen, omdat we het geld snel nodig hadden voor onze verbouwing, gaf ze mij naam en adres van een cliënt die mogelijk geïnteresseerd zou zijn'.
Galeriehoudster Smithuis heeft een andere lezing van het gebeurde. Een nogal opmerkelijke lezing, die ze later op papier zette op verzoek van de advocaat van de Telegraaf.
'Ik schrok, want ik zag onmiddellijk dat ze vals waren, maar (hoewel ik vrijwel altijd zeg dat iets vals is) ik hield mijn mond, omdat je met de opmerking 'dat is niet van Jan Altink' altijd weer veel ellende en teleurstelling teweegbrengt. Ik gaf de naam van een man (A. Dingenaers van Hillegondsberg - RvdJ) die aan een museum verbonden is en die mij meermalen had verzekerd dat hij verstand had van de Ploegschilders en er ook werk van had. Ik dacht oprecht: dan moet die man maar de brenger van de slechte boodschap zijn.'
'Nog voor Van Loenen contact met hem (Van Hillegondsberg RvdJ) kan opnemen hangt hij zelf al aan de lijn'
De nieuwe eigenaar is zo enthousiast dat hij een dag of wat later met Smithuis belt om haar van het heuglijke nieuws op de hoogte te brengen 'Ik dank u zeer voor uw tip over de Altinks Ik heb ze beide gekocht, maar niet voor de gevraagde prijs. Een flink stuk lager.'
De Noordhollandse galeriehoudster in haar brief aan de advocaat van de Telegraaf: 'Ik dacht dat ik door de grond ging. Dat was nooit mijn opzet geweest. Ik had ECHT gedacht dat de man zelf kennis van zaken had en dus ook onmiddellijk zou zien dat dit niets met Altink had te maken.'
Maar weer kraait de haan in Heiloo. Smithuis houdt haar mond tegen de opgetogen Van Hillegondsberg. 'Ik kon op dat moment niets tegen hem zeggen omdat er honderden mensen binnen waren', luidt haar excuus. Ze komt niet meer op het idee de professor op een meer gelegen tijdstip terug te bellen om hem uit zijn droom te helpen. 'Ik heb nooit meer iets van mevrouw Smithuis gehoord', bevestigt Dingeaers van Hillegondsberg.
Maar wat heeft de galeriehoudster vorig jaar tegen hem gezegd toen ze hem belde over de Altinks van Van Loenen? 'Ze heeft er tegenover mij geen enkele twijfel over laten bestaan dat ze het uitstekend werk vond. Ik ben volledig afgegaan op het oordeel van mevrouw Smithuis.'
'Bovendien heeft de Blaricumse collectioneur, althans volgens eerder genoemde brief van Smithuis, de bewuste gouaches al weer aan een ander verkocht.'
'Ik zei verder absoluut geen belangstelling voor die Altinks (de eerder door Van Hillegondsberg gekochte stukken - RvdJ) te hebben. Op zijn vraag of ze dan misschien vals waren, heb ik niet gereageerd. De man is handelaar en moet zijn vak maar verstaan.'
'Na haar aanvankelijk hardnekkige stilzwijgen zou Smithuis een half jaar later, op 16 mei van dit jaar, als een blad aan een boom omdraaien en zich plotseling opwerpen als het geweten van kunstkennend Nederland. Want het is Smithuis, die via de Telegraaf het 'enorme vervalsingsschandaal' rond Jan Altink aan de kaak stelt. De galeriehoudster is wegens een vakantie in het buitenland niet voor nadere tekst en uitleg bereikbaar. '

De standpunten

Klaagster is van oordeel dat betrokkene wederhoor had moeten toepassen of dat in ieder geval de Volkskrant haar ingezonden brief had moeten publiceren, waartoe zij het navolgende heeft aangevoerd.
1.Zij krijgt in het artikel een cruciale rol toebedeeld.
2.Betrokkene verbindt aan de citaten uit de schriftelijke verklaring, die klaagster ten behoeve van een rechtszaak afgaf, beledigende conclusies.
3.Betrokkene heeft die citaten uit zijn verband gerukt.
4.In de citaten van Van Loenen en Van Hillegondsberg komen onjuistheden voor: de laatste noemde zij tegenover Van Loenen niet als mogelijke koper. Zij had over de verwijzing pas achteraf contact met Van Hillegondsberg. Zij heeft hem de Altinks dus ook niet tevoren aanbevolen.
5. Wederhoor was mogelijk geweest omdat betrokkene over het telefoonnummer beschikte van klaagsters vakantie-adres, waar zij goed bereikbaar was en waar zij de via haar dochter afgesproken avond op het telefoongesprek met betrokkene heeft zitten wachten.
6. Klaagster acht zich geschaad in haar reputatie.
Betrokkene is van oordeel dat wederhoor misschien wel gewenst was maar niet noodzakelijk. Hij beschikte immers over de schriftelijke verklaring van klaagster. Alle citaten met betrekking tot klaagster zijn daaraan ontleend. Uit die citaten blijkt volledig welk aandeel klaagster in de vervalsingszaak heeft gehad. Hij heeft ten overvloede wel gebeld naar het opgegeven vakantienummer van klaagster maar hij kreeg haar niet aan de telefoon.
De ingezonden brief is niet geplaatst omdat klaagster daarin wel meedeelt dat de beschrijving van haar rol onjuist is maar nalaat aan te geven om welke redenen.
De doelstelling van het artikel was om met name de incompetentie van veilinghuizen aan de kaak te stellen.

Beoordeling

Naar het oordeel van de Raad gaat het artikel van betrokkene verder dan het aan de kaak stellen van de incompetentie van veilinghuizen. Het roept tevens vragen op over de competentie en integriteit van klaagster door compositie en woordkeus. 'nogal opmerkelijke lezing', 'Maar weer kraait de haan in Heiloo', 'haar aanvankelijk hardnekkige stilzwijgen', 'als een blad aan een boom omdraaien en zich plotseling opwerpen als het geweten van kunstkennend Nederland', 'wegens een vakantie in het buitenland niet voor nadere tekst en uitleg bereikbaar'.
Ook de beschrijving van de verwijzing door klaagster van Van Loenen naar Van Hillegondsberg kan de indruk wekken als zou klaagster het bewust aangestuurd hebben op de aankoop van door haar als vals bestempeld werk.
Gezien het voorgaande alsmede gezien de prominente rol, die klaagster in het door betrokkene beschreven vervalsingsschandaal krijgt toebedeeld had hij klaagster voor publikatie moeten horen en had hij haar in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de citaten van Van Loenen en Van Hillegondsberg. Door dit niet te doen en door vervolgens te weigeren een ingezonden brief te plaatsen ondanks herhaald verzoek van klaagster heeft betrokkene de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is. Daaraan doet niet af dat de brief van klaagster wellicht aan duidelijkheid wensen overliet.
Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond .

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Volkskrant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zittir van de Raad van 20 december 1991 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr L. van Vollenhoven, D.F. Houwaart, mr D. Dalmolen en mr A.J. Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karstens, secretaris.

RvdJ 1991, 24.