1991/20 ongegrond

Stichting Kinderopvang IJsselmonde tegen het Rotterdams Dagblad

Bij brief van 30 mei 1991 met één bijlage heeft mr P. Marie te Rotterdam een klacht ingediend namens de Stichting Kinderopvang IJsselmonde (klaagster) tegen de journaliste Jolande van der Graaf (betrokkene). Op 6 september 1990 zonden L. B. Pronk en D. van der Houwen respectievelijk hoofdredacteuren chef redactie regio van het Rotterdams Dagblad namens betrokkene een verweerschrift. De zaak is behandeld ter zittingvan de Raad van 6 december 1991. Namens klaagster waren aanwezig haar bestuursleden Marijke Baks en Karel Uittien Zij werden bijgestaan door mr P. Marie Betrokkene is niet verschenen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In het Rotterdams Dagblad van 27 april 1991 is onder de kop 'Kinderopvang wil bestuur laten aftreden' een artikel gepubliceerd van Jolande van der Graaf over een conflict tussen personeel en bestuur van de Stichting Kinderopvang IJsselmonde. Het artikel bevat de volgende passages.

'Leidsters van de stichting Kinderopvang IJsselmonde gaan binnenkort actie voeren tegen hun bestuur. De vrouwen zeggen door wanbeleid geen goede opvang meer te kunnen bieden en willen door massale ziek meldingen de bestuursleden dwingen tot snel aftreden.'
'Vrijwel alle leidsters en de inmiddels op non-actief gestelde directeur zegden al in oktober vorig jaar het vertrouwen in het bestuur op.'
'Maar volgens leidsters van de stichting, die uit angst voor ontslag anoniem wensen te blijven, zijn de voorzitter en penningmeester bepaald niet van plan het veld te ruimen. Ondertussen stapelen de problemen zich verder op en is er al maanden geen communicatie meer mogelijk. Dat accepteren we niet langer. We worden onderhand letterlijk en figuurlijk ziek van de onveilige situatie in de peuter speelzalen en het kinderdagverblijf, het slechte personeelsbeleid, het totale gebrek aan inspraak en de arrogante houding van bestuursleden. ' De vrouwen willen daarnaast inzage in de boekhouding, omdat ze vermoeden dat het bestuur fraudeert. De voorzitter en penningmeester ontkennen de aantijgingen en zeggen op verzoek van de deelgemeente aan te blijven. 'Hoewel in het onderzoeks rapport van een onafhankelijk deskundige staat vermeld dat 'het bestuur heeft verzuimd voldoende aandacht te besteden aan de relatie met de leidsters ontkennen Baks en Uittien dat de vrouwen buiten het reilen en zeilen van de stichting worden gehouden. 'Ze hebben alle mogelijkheiden tot inspraak en mogen dus over alles meepraten en denken. Neem het kopen van speelgoed. Daar hebben we de leidsters volkomen in vrijgelaten. Ze krijgen een eigen budget dat ruimschoots voldoendeis. Dat er geen inzage in de boeken is, is een volstrekte leugen', zeggen Baks en Uittien.'

De standpunten

De bezwaren van klaagster zijn dat het artikel de indruk wekt dat er sprake is van een lopend conflict tussen alle leidsters en het bestuur. In werkelijkheid bevinden zich tussen de leidsters slechts enkele opponenten. In het langdurige gesprek dat de bestuursleden Baksen Uittien met de journaliste hebben gehad zijn de beschuldigingen weerlegd. Zij gaven ook aan waar de journaliste de stellingen van het bestuur kon verifiëren: bij o.a. de GGD, de accountant en de heer De Kloet van de deelgemeente IJsselmonde. Uit het artikel blijkt niet dat de journaliste dat heeft gedaan. De klacht van klaagster is daarom dat de journaliste willens en wetens een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en dat zij de bestuursleden Baks en Uittien ten onrechte publiekelijk in een kwaad daglicht heeft gesteld door hen met naam en toenaam te vermelden in verband met een beschuldiging van fraude. Betrokkene heeft geantwoord dat beide bij het conflict betrokken partijen in het artikel aan het woord komen zodat beide kanten van de zaak belicht zijn. Betrokkene heeft ook andere partijen gehoord zoals de op non-actief gestelde directeur Ronald Krist en een vertegenwoordiger van de deelgemeente IJsselmonde. Dat laatste gesprek leverde geen relevante nieuwe informatie op. De bestuursleden kunnen zich naar de mening van betrokkene niet beklagen over het noemen van hun naam. Zij oefenen immers een openbare functie uit.

Beoordeling

De Raad acht het aannemelijk dat het conflict tussen bestuur en het personeel van de stichting op het moment van de berichtgeving grotendeels was opgelost, zoals doorklaagster ter zitting is gesteld. Dit neemt niet weg dat er wel een zodanig hooglopend conflict is geweest dat de deelgemeente IJsselmonde aanleiding heeft gezien tot he tinstellen van een onderzoek. Tegenover de beschuldigingen van het personeel besteedt het artikel naar het oordeel van de Raad voldoende aandacht aan de tegengestelde visie van het bestuur waarbij het noemen van de namen van de bestuursleden voortvloeit uit het openbare karakter van hun functie. Betrokkene heeft daarom niet de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op haar journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Rotterdams Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 december 1991 door mr W.D.H. Asser, voorzitter, mr T. Faber de, Heer W.F. de Pagter, mr F. Kuitenbrouwer en drs H.W.M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1991, 20.