1991/19 gegrond

Mr. W.J. Spanjaard tegen de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander

Per brief van 25 april 1991 met vier bijlagen heeft mr W.J. Spanjaard te Hilversum (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Gooi- en Eemlander, J.H. van Zenderen (betrokkene). Deze heeft in een brief van 29 mei 1991 op de klacht gereageerd.
Na het overlijden van mr. Spanjaard op 25 september 1991 is de klacht voortgezet door zijn nabestaanden (klagers).
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 28 oktober 1991.
Aanwezig waren de weduwe, de kinderen en een zuster van mr. Spanjaard, bijgestaan door mr G. J. A. M. Bogaers. Ook betrokkene is in persoon verschenen.

De feiten

Mr. W.J. Spanjaard was bij leven advocaat te Hilversum. De Raad van Discipline te Amsterdam, het orgaan dat belast is met de tuchtrechtspraak in eerste aanleg over advocaten in het ressort Amsterdam, heeft in een beslissing van 24 september 1990 een klacht van mevrouw B. Heemskerk te Naarden tegen mr. Spanjaard op grond van de overweging dat laatstgenoemde zich onnodig grievend heeft uitgelaten, gegrond verklaard en mr Spanjaard de straf van berisping opgelegd. Bedoelde klacht had betrekking op uitlatingen van mr Spanjaard in correspondentie met de advocaat van mevrouw Heemskerk en in een door mr Spanjaard in de tussen mevrouw Heemskerk en haar echtgenoot lopende echtscheidingsprocedure ingediend processtuk. Over de alimentatievordering van mevrouw Heemskerk gebruikte mr. Spanjaard in dat stuk onder andere de zinsnede 'teneinde haar opgeschroefde financiële eisen op Goebeliaans recept te onderbouwen.'
Mr Spanjaard heeft tegen de beslissing van de Raad van Discipline hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline te Utrecht. Dit college behandelde de zaak op 11 februari 1991. In de Gooi- en Eemlander van 12 februari 1991 verscheen daarover onder de kop 'Berispte advocaat: opmerking is oorbaar' een bericht, waarvan het belangrijkste gedeelte luidt:

'Deze (mr. W.J. Spanjaard - RvdJ) zou zich volgens mevrouw B. Heemskerk uit Naarden en haar advocaat A. Zeegers uit Amsterdam op discriminerende wijze hebben uitgelaten over mevrouw Heemskerk. Naar aanleiding van een echtscheidingszaak heeft Spanjaard onder meer gezegd dat mevrouw Heemskerks "opgeschroefde financiële eisen op Goebeliaans recept worden onderbouwd." De vergelijking met de oorlogsmisdadiger Josef Goebels heeft Heemskerk, die van Joodse afkomst is en tijdens de Tweede Wereldoorlog een aantal familieleden heeft verloren, zeer gegriefd. Spanjaard zegt hiervan aanvankelijk niet op de hoogte te zijn geweest. Bovendien had hij Goebels willen afschilderen als "fantast" en niet als oorlogsmisdadiger. Hij nam de uitlating terug .'

De standpunten

Klagers zijn van oordeel dat de krant niet over de zaak had behoren te publiceren en dat in ieder geval de naam van mr. Spanjaard niet genoemd had mogen worden omdat met betrekking tot tuchtrechtspraak tenminste dezelfde anonimiteitsregels gehanteerd dienen te worden als bij het gewone strafrecht.

De publikatie is volgens klagers bovendien onzorgvuldig omdat gesteld wordt dat mevrouw Heemskerk zich beklaagd zou hebben over discriminerende uitlatingen. De klacht hield slechts in dat mr. Spanjaard grievende uitlatingen deed en ging niet over discriminatie Als gevolg van de negatieve publiciteit heeft mr Spanjaard schade geleden in zijn eer en goede naam en zijn praktijk.

Betrokkene heeft geantwoord dat het gebruik om in verslagen van strafrechtelijke procedures slechts de initialen van verdachten en veroordeelden te noemen of deze in voorkomende gevallen ter voorkoming van herkenning zelfs weg te laten, in de journalistiek niet geldt voor tuchtrechtspraak. In de Gooien Eemlander wordt een advocaat of een arts, die tuchtrechtelijk is veroordeeld wel met naam en toenaam genoemd. Het openbaar optreden van een advocaat recht vaardigt dat een tuchtrechtelijke veroordeling ook openbaar wordt gemaakt. In de onderhavige zaak stond een groot maatschappelijk belang op het spel namelijk de bestrijding van discriminatie.

Beoordeling

In het aangevallen bericht wordt de suggestie gewekt dat de tuchtzaak betrekking heeft op discriminerende uitlatingen. Van de zijde van klagers is dit ontkend. Ook uit de stukken en met name de beslissingen van de Raad en het Hof van Discipline blijkt niet dat de in die beslissingen genoemde grievende uitlatingen beschouwd zijn als discriminatoire uitlatingen.
Daargelaten of betrokkene anonimiteit had moeten betrachten heeft betrokkene reeds om deze reden, gelet op de ernst van de beschuldiging van discriminatie, door de berichtgeving de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.

Beslissing

De Raad acht de klacht gegrond .

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Gooi- en Eemlander te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 28 oktober 1991 door mr P.J. Boukema, voorzitter, mr G. Dullens, J. de Vries, mevrouw A.G. Scherphuis en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1991, 19