1990/6 ongegrond

R. MONÉ TEGEN HOOFDREDACTEUR VAN DAGBLAD VOORWEST-FRIESLAND

Per brief van 31 januari 1990 met vier bijlagen heeft R. Moné te Avenhorn (klager) een klacht ingediend tegen D. P. J. van Reeuwijk, hoofdredacteur van het Dagblad voor West-Friesland (betrokkene). Namens deze heeft B. Klaassen, adjunct-hoofdredacteur van het Noord-Hollands Dagblad op 19 februari 1990 schriftelijk op de klacht geantwoord.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 25 april 1990. Klager was in persoon aanwezig. Namens betrokkene is verschenen S. de Jager, adjunct-hoofdredacteur van het Noord-Hollands Dagblad .

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Tegenover het huis van klager te Avenhorn bevindt zich het parkeerterrein van` een internationaal transportbedrijf. Klager is betrokken geweest bij een discussie tussen B & W van de gemeente Wester-Koggenland en een aantal overburen van genoemd transportbedrijf over de voorwaarden verbonden aan de bestemmingswijziging, die de vestiging van bedoeld transportbedrijf mogelijk hadden gemaakt. Ter voldoening aan die voorwaarden werd door het transportbedrijf aan de rand van het parkeerterrein een houten schutting geplaatst om licht en geluid van de vrachtwagens ten behoeve van de overburen te weren .
In het dagblad van West-Friesland van 8 januari 1990 is onder de kop 'Metershoge muur houdt licht en geluid buiten' een bericht geplaatst naar aanleiding van het oprichten van de schutting.

'Hij is vier meter hoog en honderd meter lang, de muur bij transportbedrijf Simon Laan in Avenhorn. Dat lijkt wat overdreven, maar het bedrijf volgt hiermee slechts bepalingen uit de Hinderwet. De houten schutting staat vlak aan Het Veer, op het parkeerterrein van Laan. Langs de waterkant moet nog begroeiing geplant worden van vier meter hoog 'om het geheel een wat vriendelijker aanzicht te geven', aldus Q. Rood van de gemeente Wester-Koggenland.
Volgens Rood is de muur op aangeven van de gemeente gebouwd. 'De wal was een voorwaarde voor de bouwvergunning die we eind 1988 verleenden. Het gaat hier om normen die gesteld worden, omwonenden mogen geen last hebben van licht of lawaai. We hebben een paar keer overlegd. Aanvullende eis was de beplanting'.
Anderen zeggen dat vooral R Moné, die aan Het Veer woont, de aanzet heeft gegeven voor het bouwen van de muur. Hij heeft meermalen aan de bel getrokken bij het transportbedrijf, omdat hij last had van het lawaai en het licht in zijn kamer. Maar directeur J. Laan van het transportbedrijf wil er geen ophef over maken. 'Ons bedrijf voldoet hiermee aan de bepalingen van de Hinderwet. Vroeger stond er op de plek van het parkeerterrein een veilinggebouw. Toen dat afgebroken werd, zouden we een rij bomen planten maar dat is niet gebeurd. Moné heeft vanaf die tijd geklaagd. In goed overleg met de gemeente zijn we nu tot deze oplossing gekomen'.
Moné ergert zich vooral aan het licht van de koplampen dat zijn kamer binnen schijnt. De chauffeurs komen soms midden in de nacht aan en draaien hun wagen op het parkeerterrein. Dat geeft ook veel lawaai. Directeur Laan: 'De rest van de bewoners van Het Veer heeft er niet zo'n last van, maar ze vinden het toch wel fijn dat deze muur er nu staat.'

STANDPUNTEN

Klager bestrijdt dat hij de aanzet heeft gegeven voor het bouwen van de muur zoals in het bericht wordt gesteld. Aangezien die mededeling in het bericht gepresenteerd is als afkomstig van derden ('Anderen zeggen...') wil hij deze feitelijke onjuistheid voor rekening van de opgevoerde zegslieden laten en dat geldt ook voor hetgeen de directeur van het transportbedrijf ten onrechte over hem zegt in het bericht.
Zijn bezwaren richten zich tegen de feitelijke mededeling dat hij zich zou ergeren aan het licht van de koplampen. De twee zinnen uit de laatste alinea die hierop betrekking hebben zijn overgenomen uit een bericht uit het Dagblad voor West-Friesland van 11 mei 1987 over dezelfde kwestie, waarin een andere bewoner over deze vorm van ergernis wordt geciteerd. Hoewel in het bericht van 8 januari aanhalingstekens ontbreken wordt de uiting van deze ergernis hem in de mond gelegd.
Klager neemt dit betrokkene des te meer kwalijk nu hij de verslaggeefster, die hem over de zaak belde, had gezegd geen commentaar te willen geven. Hij is desondanks toch in de publiciteit betrokken en op een verkeerde manier.

Klagers tweede bezwaar is dat de krant de onjuistheid niet onmiddellijk heeft rechtgezet naar aanleiding van zijn brief hierover van 8 januari 1990. Betrokkene reageerde op zijn verzoek pas in een brief van 12 januari 1990, die op 15 januari 1990 verzonden werd en hem op 16 januari bereikte. Volgens die brief zou slechts een gedeelte van zijn verzoek om rechtzetting geplaatst kunnen worden in de rubriek ingezonden brieven. Klager meent dat daardoor geen behoorlijke genoegdoening zou worden gegeven en dat betrokkene daarmee bovendien te laat was.

Betrokkene heeft geantwoord dat klager wel degelijk mede namens andere omwonenden bezwaren heeft gemaakt bij de gemeente tegen de overlast van het transportbedrijf. Het feit dat klager geen commentaar wilde geven toen zijn mening over de schutting gevraagd werd, betekent niet dat hij zich buiten de publiciteit kon houden. De krant heeft bij gebreke van reactie van klager de mening van andere betrokkenen weergegeven. Wat betreft de door klager gesignaleerde onjuistheid, de krant meent hierop passend te hebben gereageerd door het aanbod van een ingezonden brief te plaatsen.

BEOORDELING

De klacht houdt in dat het bericht van 8 januari 1990 over de oprichting van een houten schutting tegenover het huis van klager een feitelijke onjuistheid inhoudt. De in een eerder bericht genoemde ergernis van een andere bewoner wordt in dat van 8 januari 1990 toegeschreven aan klager. De Raad is van oordeel dat betrokkene door deze onzorgvuldigheid niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is omdat aan klager is aangeboden een ingezonden brief op te nemen om de onjuistheid recht te zetten. Daarmee kwam betrokkene naar het oordeel van de Raad voldoende tegemoet aan de wensen van klager op dit punt. Het feit dat klager dit aanbod heeft afgewezen doet hieraan niet af. Ook klagers tweede bezwaar gaat dus niet op.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Dagblad voor West-Friesland te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 25 april 1990 door mr. W. D. H. Asser, voorzitter, mr. T. Faber-de Heer, mr. G. Dullens mr. D. T. Dalmolen en A. G. Scherphuis, leden in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1990, 6.