1990/5 gegrond

RvdJ 1990, 5.

B. ROSSEN TEGEN PAULINE SINNEMA

Bij brief van 12 juli 1989 met twee bijlagen heeft mr. J. C. van Zundert te Rotterdam namens Benjamin Rossen, destijds wonende te Krommenie (klager), een klacht ingediend tegen Pauline Sinnema (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd bij brief van 14 augustus 1989 met één bijlage.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 februari 1990. Partijen waren in persoon aanwezig. Klager werd bijgestaan door mr. F. H. Koers, advocaat te Amsterdam.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager is één van de deskundigen die via de media hun opinie gaven over het onderzoek naar mogelijke ontucht met jonge kinderen op grote schaal in Oude Pekela. In NRC Handelsblad van 4 februari 1988 wordt hij in een artikel over deze zaak aangeduid met de titel klinisch-psycholoog. In het op 30 oktober 1988 uitgezonden televisieprogramma 'Kwesties' van de VPRO wordt h ij geïntroduceerd als biochemicus en psycholoog. In de in januari 1989 verschenen aflevering van het blad Psychologie wordt hij bij een artikel van zijn hand over de zaak Oude Pekela aangeduid als endocrinoloog en psycholoog.
In Het Parool van 26 januari 1989 is een artikel gepubliceerd van betrokkene onder de kop 'Het bedrog van een 'geleerde' pedofiel'. Dit artikel opent met de volgende alinea.

'Er waart een deskundige door Nederland. Hij manifesteerde zich deze maand in een omslagartikel van het maandblad Psychologie met een 'dossier Oude Pekela'. (...) Als auteur werd vermeld: drs. Benjamin Rossen, psycholoog en endocrinoloog'.

Het artikel bevat daarnaast de volgende passages.

'Rossens artikel is een samenvatting van een scriptie die hij heeft gemaakt. Hij is dus nog helemaal geen doctorandus? Onzin, zegt de geleerde. 'Ik heb een Australische graad in de psychologie en ik heb ook nog een paar jaar biologie en chemie en wiskunde gestudeerd. Maar dat wordt hier niet erkend dus studeer ik als het ware voor de derde keer af. Ik hebeen vrijstelling vanwege mijn opleiding, ik hoef geen colleges te lopen en dit onderzoek geldt als mijn doctoraal'.
Scriptiebegeleider is prof. Marten Brouwer en inderdaad, dit is een 'vrij doctoraal'. Maar waarin is Rossen straks drs? 'In de politieke en sociaal culturele wetenschappen'. Maar hij noemt zich psycholoog. 'Dat kan niet', zegt Brouwer, 'dat is een beschermde titel. ( . . )''
'Maar Rossen had zich al eerder vorig jaar gemanifesteerd als deskundige. In NRC Handelsblad werd hij geciteerd als 'klinisch psycholoog' en bij het VPRO tv-programma Kwesties liet hij zich introduceren als psycholoog en biochemicus. Dat is hij dus allemaal niet, dus misschien klopt zijn onderzoekje ook niet?'

Het artikel beschrijft vervolgens dat klager over de mogelijkheid van toelating tot een doctoraalexamen eerder contacten had met de klinisch psycholoog Van Naerssen te Utrecht en later met de hoogleraar transseksualiteit aan de VU in Amsterdam, Gooren. De eerste deelt mee dat de papieren van klager niet aan de toelatingseisen voldeden zodat om nadere bewijsstukken werd gevraagd waarop volgens de woorden van Van Naerssen niet is gereageerd. De laatste deelt mee dat hij nooit naar bewijsstukken omtrent de opleiding van klager heeft gevraagd omdat het niet tot een formele relatie is gekomen.
Volgens het slot van het artikel is de hoogleraar Brouwer naar aanleiding van vragen van betrokkene tot de ontdekking gekomen dat door zijn faculteit geen vrijstelling voor de propedeuse aan klager werd verleend.

'Rossen zou over twee weken afstuderen. Hoe moet dat nu? Brouwer: 'Ik sta geheel machteloos. Als iemand geen propedeuse heeft, kan ik die scriptie niet in behandeling nemen, daar valt niet eens meer over te praten'.'

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klager tegen het artikel van betrokkene zijn de volgende.
1. Klager meent dat betrokkene geen behoorlijk onderzoek heeft gedaan naar zijn wetenschappelijke kwalificaties met als gevolg dat hij ten onrechte van bedrog wordt beschuldigd en dat ten onrechte de waarde van zijn wetenschappelijk onderzoek in twijfel wordt getrokken.
2. Betrokkene refereert aan de veronderstelde pedofiele aard van klager als middel tot verdachtmaking.
3. Betrokkene heeft ten onrechte geweigerd te zorgen voor plaatsing van een ingezonden brief van klager.
4. Anders dan in het artikel wordt vermeld heeft klager wel zelf met de politie in Oude Pekela gesproken.

Ter toelichting van het eerste bezwaar het 't klager erop gewezen dat in de drie door betrokkene gegeven voorbeelden hij zich niet zelf met de aangevallen titels heeft getooid. Het waren telkens derden die op grond van door klager verstrekte informatie over zijn in Australie behaalde diploma's de volgens die derden gelijkwaardige Nederlandse titels of hoedanigheden vermeldden.

Volgens klager was hijzelf onvoldoende op de hoogte van Nederlandse graden om te kunnen beoordelen of de vertaling van zijn buitenlandse kwalificaties naar Nederlandse titels correct was Klager verwijst naar brieven van de media waaraan de drie voorbeelden werden ontleend, waarin deze gang van zaken wordt bevestigd .

Betrokkene heeft geantwoord dat het stuk voor publikatie in een gesprek van ruim drie uur met klager is doorgenomen in bijzijn van de hoogleraar Brouwer. Klager had bezwaren tegen het stuk als geheel maar niet tegen de daarin voorkomende citaten van hemzelf en de diverse hoogleraren. Betrokkene meent dat haar stuk voor zichzelf spreekt nu de daarin vermelde feiten juist zijn. Wel acht betrokkene de kop boven het artikel ongenuanceerd. Zelf had zij een andere kop voorgesteld .
Wat betreft de contacten van klager met de politie in Oude Pekela, tegenover haar is door de politie ontkend dat er met klager zelf over de zaak Oude Pekela is gesproken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De bezwaren van klager betreffen in hoofdzaak dat hij in het artikel beschuldigd wordt van wetenschappelijke oplichterij en dat ten onrechte gerefereerd wordt aan de pedofiele aard van klager. De Raad meent dat het artikel met name vanwege de kop inderdaad de suggestie wekt van opzettelijke misleiding door klager ten aanzien van zijn wetenschappelijke statuur. Hoewel klager mogelijk zelf aanleiding heeft gegeven tot misverstanden omtrent zijn wetenschappelijke kwalificaties, geven de feiten naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om aan te nemen dat klager de opzet tot misleiding heeft gehad. De veronderstelde pedofiele aard van klager heeft met deze kwestie niets te maken zodat vermelding daarvan in dit verband ten onrechte is geschied. Mede gezien het feit dat de ingezonden brief van klager geweigerd is acht de Raad daarom de klacht gegrond.

BESLISSING

Het artikel van betrokkene bevat ten onrechte de suggestie van opzettelijke misleiding door klager ten aanzien van zijn wetenschappelijke statuur en legt daarbij ten onrechte een verband met de veronderstelde pedofiele aard van klager, zodat de klacht hierover gegrond is.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 februari 1990 door mr. P. J. Boukema, voorzitter, mr. E. C. M. Jurgens, W. F. de Pagter, J. M. P. J. Verstegen en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.