1990/3 ongegrond

TH. VLEESHOUWER TEGEN JAN VAN EWIJK (HET PAROOL)

Per brief van 9 augustus 1989 met vijf bijlagen heeft Th. Vleeshouwer te Purmerend (klager) een klacht ingediend tegen Jan van Ewijk (betrokkene). Per brief van 17 november 1989 met twee bijlagen heeft mr. A. H. Schmeink, adjunct-hoofdredacteur van Het Parool, namens betrokkene op de klacht geantwoord.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 februari 1990. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager is tot 25 juli 1989 secretaris geweest van de Koninklijke Nederlandse honk- en softbalbond (KNBSB). Het neerleggen van zijn functie hing samen met reorganisatie van het bestuur van de KNBSB. Aan deze feiten is aandacht besteed in een bericht op de voorpagina van het sportkatern van Het Parool van 7 augustus 1989 onder de kop 'Secretaris honkbalbond stapt op'. Dit bericht bevat de volgende passage.

'Vleeshouwer stemde volledig in met de gedachte, dat de functie van secretaris in de KNBSB nieuwe stijl voor een professionele kracht zou zijn weggelegd. Hij meende zelf daartoe de aangewezen persoon te zijn. Peter Laanen en zijn opvolger Paul Moerman denken daar geheel anders over'.

Onder dit bericht wordt verwezen naar pagina 4 van het katern waarin onder de kop 'Grote schoonmaak is voor KNBSB bittere noodzaak' een artikel is gepubliceerd van betrokkene met achtergrond-informatie. Dit artikel bevat de volgende passage.

'Vooral het vertrek van Vleeshouwer zal 'even wennen' zijn voor menig honkbalinsider. Moerman: 'Dat klopt, maar alles gebeurt in volstrekte harmonie. Dat blijkt wel uit het feit dat juist Vleeshouwer met het voorstel is gekomen zijn eigen functie om zeep te helpen'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klager richten zich tegen het bericht op de voorpagina en met name tegen de boven weergegeven passage. Hij acht deze krenkend en onjuist en is van mening dat hierdoor bovendien de hem in 1986 toegekende WAO-uitkering in gevaar wordt gebracht.
Onjuist is dat hij zichzelf de aangewezen persoon vond voor de nieuwe functie van een betaald secretaris. Dit blijkt onder meer uit een notitie van zijn hand van 30 januari 1989 voor het bestuur van de KNBSB met de titel 'Besturen in de negentiger jaren'. Over de functie van secretaris staat daarin het volgende.

'Al vaak is gezegd dat na mijn vertrek de betaalde secretaris zijn intrede zal doen in het bestuur van de KNBSB. Ik denk nu dat dat waar is'.

De 'Slotconclusie' van deze notitie bevat de volgende passage.

'Om elk misverstand te voorkomen wil ik nog wel toevoegen dat er indien die gedachte bij één uwer mocht zijn opgekomen bij mij geen sprake is van 'streven naar macht'. Ik kan op dit moment niet aangeven hoelang ik nog in functie zal blijven als bondssecretaris (dat is o.a. mede afhankelijk van hetgeen u, mijn medebestuursleden, wilt), maar vast staat dat ik de door mij bedoelde constructie - wanneer die zou worden ingevuld - slechts gedurende korte tijd zal meemaken.'

Ook uit een concept-schets over de wijziging van de organisatiestructuur van de KNBSB blijkt dat in de nieuwe opzet de directeur van het bondsbureau en niet klager de functie van betaald secretaris zal bekleden, namelijk blijkens de volgende passage.
'De taken van de secretaris zullen gefaseerd worden overgedragen aan de eventueel te benoemen betaald secretaris. Indien tot benoeming van een betaald secretaris wordt besloten, zal deze functie eventueel met de functie van directeur van het bondsbureau worden gecombineerd'.

Klager voelt zich door het bericht gekrenkt omdat hij zelf initiatiefnemer was met betrekking tot de nieuwe organisatiestructuur, terwijl door de woorden 'stemde volledig in met' de nadruk wordt gewekt of het tegendeel het geval is geweest. Daar van het bericht de suggestie uitgaat dat klager uit zou zijn op betaald werk kan hierdoor zijn WAO-uitkering in gevaar komen, of kan in ieder geval het bericht leiden tot vragen van de uitkeringsinstantie.
Klager meent dat betrokkene ter voorkoming van al het bovenstaande voor de publikatie contact met hem had moeten opnemen. Kennelijk nam betrokkene ook geen kennis van schriftelijke stukken. Klager meent dat ook door de geciteerde mededeling het citaat van Moerman in het achtergrondartikel voor de lezer niet duidelijk wordt hoe precies de vork in de steel zit. Klager verzocht Het Parool om rectificatie. Het daarop gevolgde aanbod voor een ingezonden brief heeft hij geweigerd.

Het Parool heeft in het antwoord van 17 november 1989 volstaan met te verwijzen naar de inhoud van het achtergrondartikel.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht het aannemelijk dat de aangevallen mededeling feitelijk onjuist is. Betrokkene heeft dit niet tegengesproken, evenmin als het feit dat daarover voor publikatie geen contact is geweest met klager. Ook uit het achtergrondartikel blijkt niet dat de lezing van klager onjuist is. De Raad acht het dan ook begrijpelijk dat klager onvrede heeft met het bericht en Het Parool om rechtzetting heeft gevraagd.

Daar het gaat om een mededeling die aan klager wordt toegeschreven, zou het een passende reactie van betrokkene geweest zijn om het verzoek van klager tot rechtzetting in te willigen dan wel eventueel het ongelijk van klager duidelijk te maken. Echter, gezien het feit dat betrokkene wel plaatsing van een ingezonden brief heeft aangeboden en anderzijds het achtergrondartikel de door klager verdedigde lezing niet uitsluit, blijft het handelen van betrokkene binnen de grenzen van hetgeen gelet op zijn verantwoordelijkheid van journalist maatschappelijk aanvaardbaar is.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 februari 1990 door mr. P. J. Boukema, voorzitter, mr. E. C. M. Jurgens, W. I . de Pagter, J. M. P. J. Verstegen en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1990, 3.