1990/20 ongegrond

Kindergeneeskundig Kankeronderzoek tegen NRC-Handelsblad

 

Het bestuur van de Stichting Kindergeneeskundig Kankeronderzoek heeft in een brief van haar voorzitter prof dr P. A. Voûte van 28 juni 1990 met zes bijlagen (klaagster) een klacht ingediend tegen de journalisten Harm van den Berg en Robert van de Roer en de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad, dr B. Knapen (betrokkenen). Laatstgenoemde heeft op de klacht gereageerd per brief van 7 augustus 1990 met acht bijlagen. Klaagster heeft hierop gerepliceerd in een brief van 31 augustus 1990 met één bijlage.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 17 december 1990. Namens klaagster waren aanwezig prof. dr P. A. Voûte en A. van Marken, respectievelijk voorzitter en penningmeester van het bestuur van de Stichting Kindergeneeskundig Kankeronderzoek (SKK). Betrokkenen waren in persoon aanwezig.

 

 

De feiten

 

 

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Klaagster houdt zich als stichting onder meer bezig met het beheer van een liefdadigheidsfonds voor de bestrijding van kinderkanker en de financiering van studie en wetenschappelijk onderzoek op dit gebied. De voorzitter van het bestuur van de stichting is prof dr P. A. Voûte, hoofd van de afdeling kinderoncologie van het AMC te Amsterdam. Als bestuurslid heeft hij niet alleen verantwoordelijkheid voor de besteding van de ingezamelde gelden, hij is daarnaast persoonlijk actief bij het werven van gelden.
In april 1990 legde de moeder van een ex-patiënt beslag onder de stichting op grond van het vermoeden dat het geldbedrag dat zij had geschonken niet voor het in de notariële schenkingsakte vastgelegde doel zou zijn gebruikt. Conform de wettelijke voorschriften is op dit beslag een procedure gevolgd.
Aan deze nieuwsfeiten werd aandacht besteed in artikelen in NRC-Handelsblad van 6 en 11 april 1990. In de krant van 2 mei 1990 is een achtergrondartikel over de stichting verschenen.
Het artikel van 6 april 1990 bevat onder meer de volgende passages.

 

 

'De schenking van Voorbij (de moeder van de ex-patiënt RvdJ) is niet uitgegeven aan apparatuur, zoals in 1979 in een notariële akte werd vastgelegd. Uit de jaarrekeningen blijkt dat de Stichting Kindergeneeskundig Kankeronderzoek (SKK) met de gift van Voorbij en de opbrengst uit de benefietwedstrijd van Johan Cruijff, 200.000 gulden, in 1982 de eerste effecten heeft aangekocht. De schenkingen bleven belegd in de effectenportefeuille bij Pierson Capital Management en sindsdien groeide het vermogen naar ongeveer 4,3 miljoen gulden'.
'Van een daadwerkelijke oprichting (Van een naar de overleden dochter van de schenkster genoemd fonds - RvdJ) hoort ze naar eigen zeggen niets meer. En in oktober 1989 leest zij 'met stijgende verbazing' een stuk van de hand van Voûte in het weekblad Elsevier. Het betreft hier een door de hoogleraar afgedwongen rectificatie na twee artikelen over mogelijke fraude bij de SKK'.
Het artikel eindigt met de volgende passage.
'Professor Voûte zegt vandaag in een allerlaatste versie tegen deze krant: 'De claim is niet terecht, omdat het geld op de juiste wijze is besteed. Namelijk aan apparatuur'.'
Het bericht van 11 april 1990 bevat de volgende passage.
'Mevrouw Voorbij (.. ) meent dat prof. Voûte en zijn medebestuursleden niet hebben voldaan aan de voorwaarde die destijds in een notariële akte is gesteld'

 

 

In NRC-Handelsblad van 2 mei 1990 is onder de kop 'De verwarrende strategie van het kankerfonds SKK' een achtergrondartikel verschenen over het financiële beleid van klaagster. Dit artikel bevat de volgende passages.

''Dat lijkt me nogal weinig. Ik zet hier vraagtekens bij', zegt directeur M. J. Wester van het Centraal Bureau Fondsenwerving, een door WVC gesubsidieerd controleorgaan dat gemeenten en bedrijven adviseert over de betrouwbaarheid van charitatieve instellingen. Uitgangspunt van dit bureau is dat tenminste 75 procent van de jaarlijkse inkomsten ten goede moet komen aan het beoogde doel, zoals bij de Nederlandse Kankerbestrijding (voorheen KWF), die ongeveer tachtig procent uitgeeft aan onderzoek' .
'Weten de gevers dat hun geld belandt in de effectenportefeuille bij Pierson? 'Ik ben er zeker van dat gevers weten dat wij hun geld tijdelijk beleggen', zegt Voûte. 'Ze zouden geen cent meer geven als ik het geld in een bureaula leg Ik zeg tegen hen dat ik van 10,25 of 100 gulden geen project kan betalen en dat ik hun geld verzamel totdat er voldoende is'. Directeur Wester van het Centraal Bureau Fondsenwerving kent meer liefdadigheidsfondsen die oppotten maar die melden dan dat beleid. In zijn ogen moet een fonds zo weinig mogelijk oppotten en wanneer dit toch gebeurt, dat in het jaarverslag aangeven. 'Daarbij moet ook worden beschreven wat er met de reserves gaat gebeuren: gaat men tot in eeuwigheid door met reserves vormen of dient het ergens voor? Degene die doorgaans het kapitaal vormt, wil almaar meer en meer. Dat zal de donateurs niet erg aanspreken'.'

 

 

De standpunten

 

 

De bezwaren van klaagster tegen de publikaties zijn de volgende.
1 In strijd met een daartoe gemaakte afspraak zijn de publikaties van 6 en 11 april niet tijdig tevoren aan klaagster voorgelegd. De publikatie van 11 april werd in het geheel niet voorgelegd en die van 6 april op een zodanig laat tijdstip dat een behoorlijke inhoudelijke reactie niet meer mogelijk was.
2. Een naar aanleiding van de publikaties van 6 april 1990 aangeboden ingezonden brief van 9 april waarin de juiste feiten op een rijtje worden gezet is ten onrechte geweigerd .
3. De publikaties bevatten onjuiste en suggestieve mededelingen zulks terwijl geen of onvoldoende rekening werd gehouden met de opmerkingen van klaagster naar aanleiding van de wel vooraf voorgelegde tekst van de publikatie van 2 mei 1990.
Ter adstructie van dit bezwaar heeft klaagster een aantal voorbeelden genoemd waaronder de volgende.

 

 

a. SKK is geen 'liefdadigheidsfonds van de kinderoncoloog prof. dr P. A. Voûte'. Voorzitter Voûte is één van de vier bestuursleden.
b. de schenking Voorbij werd niet 'belegd in effecten' maar merendeels geplaatst op twee geblokkeerde rekeningen teneinde het Emma Kinderziekenhuis in de gelegenheid te stellen een lening aan te gaan voor het aanschaffen van apparatuur.
c SKK heeft haar vermogen van 4,3 miljoen gulden niet 'voornamelijk belegd in obligaties, aandelen en opties'. In werkelijkheid bestaat 94% van het vermogen uit spaardeposito's, staatsobligaties en bankobligaties, derhalve risicoloze beleggingen.
d. De aangehaalde woorden van de heer M J Wester, directeur van het Centraal Bureau Fondsenwerving, wekken de indruk dat bij SKK vrijwel alles opgaat aan kosten en dat slechts 10% ten goede komt aan wetenschappelijke projecten zodat SKK niet aan de normen van het Centraal Bureau Fondsenwerving zou voldoen Wester kan slechts gedoeld hebben op het uitgangspunt van het Bureau Fondsenwerving dat hoogstens 25% van de opbrengst van acties aan kosten besteed mag worden.
e Suggestief is de mededeling dat SKK de meeste vrij te besteden giften oppot nu onvermeld blijft dat oppotten van een vermogen geen doel op zichzelf is maar uitsluitend geschiedt teneinde uitvoering te geven aan het bestuursbeleid dat geen beslissingen tot besteding van gelden worden genomen alvorens verzekerd is dat het gehele project in ieder geval kan worden gefinancierd uit reeds aanwezige gelden zodat SKK daarbij niet afhankelijk is van toekomstige schenkingen.
f Suggestief en nodeloos grievend is het noemen van 'mogelijke fraude bij SKK' zonder de voor Elsevier ongunstige uitspraak van de Raad voor de Journalistiek te vermelden .

 

 

De reactie van betrokkenen luidt samengevat als volgt.
1 De afspraak om artikelen of berichten voor publikatie aan prof Voûte als voorzitter van het bestuur van SKK voor te leggen beperkte zich tot het publiceren van meningen of citaten. De artikelen van 6 april en 11 april 1990 betroffen nieuwsfeiten ten aanzien waarvan prof. Voûte in een eerder stadium geen reactie wilde geven. De publikatie van 6 april waarin een citaat voorkomt is ongeveer twee uur voor sluiting van de krant aan hem voorgelegd. De tekst van het artikel van 2 mei 1990, waarin meningen en meer citaten voorkomen, is in zijn geheel ruim tevoren aan klaagster toegezonden. Betrokkenen menen derhalve dat de gemaakte afspraak is nagekomen.
2 Het ingezonden stuk van prof. Voûte is niet opgenomen omdat dit naar het oordeel van betrokkenen geen nieuw licht op de zaak wierp. Eén passage daaruit is overigens wél geïntegreerd in de latere berichtgeving over SKK.
3. Betrokkenen menen dat de publikaties geen onjuistheden bevatten. Er bestaat tussen een schenkster en klaagster verschil van mening over de vraag of de aan een bepaalde schenking verbonden voorwaarden zijn nagekomen nu klaagster het geschonken kapitaal niet rechtstreeks gebruikt heeft voor de aanschaf van apparatuur maar de aanschaf mogelijk maakte via zekerheidstelling voor een lening. Dat verschil van mening wordt in de publikaties belicht tegen de achtergrond van het beleid van de stichting allereerst vermogen te vormen en pas daarna over te gaan tot daadwerkelijke aanwending van vergaarde middelen zonder dat dit voor buitenstaanders duidelijk is. Betrokkenen menen dat het geen wezenlijk verschil maakt of gesproken wordt over belegging in 'obligaties, aandelen en opties' in plaats van over spaardeposito's, staatsobligaties en bankobligaties en een klein restant in aandelen en opties.
4. Vereenzelviging van SKK met haar voorzitter wordt ingegeven door de prominente rol van deze laatste bij de werving van fondsen en andere publiciteit. Niet bedoeld is te suggereren dat prof. Voute eigenaar is van het fonds.

 

 

Beoordeling

 

 

De Raad zal de verschillende onder delen van de klacht afzonderlijk bespreken .
1. Klaagster heeft ter adstructie van haar standpunt inzake de afspraak publikaties vooraf ter inzage te krijgen een beroep gedaan op een verklaring van R. Buijze, hoofd afdeling voorlichting van het AMC te Amsterdam, van 31 mei 1990. Volgens die verklaring betrof de af spraak het publiceren van meningen of citaten van klaagsters voorzitter Voûte. Mede gezien deze verklaring acht de Raad het aannemelijk dat een afspraak met een verdere strekking niet is gemaakt. Naar het oordeel van de Raad behoefden betrokkenen de publikaties van 6 en 11 april, die nieuwsfeiten tot onderwerp hadden, daarom niet aan klaagsters voorzitter voor te leggen behoudens het enkele daarin voorkomende citaat. Aan die verplichting hebben betrokkenen voldaan.
2 De beslissing van hoofdredacteur Knapen om de ingezonden brief van klaagsters voorzitter niet te plaatsen op grond van het argument dat deze brief niets nieuws aan de feiten toevoegde, acht de Raad niet in strijd met de geboden zorgvuldigheid, te meer nu er nog een vervolgartikel zou komen waarover klaagster vooraf nog gehoord zou worden.
3. De bezwaren tegen onjuistheden of onjuiste suggesties betreffen in hoofdzaak het omstreden beleid van klaagster verworven gelden niet steeds direct aan te wenden om de doeleinden van de stichting te verwezenlijken maar daartoe via andere constructies of na belegging over te gaan. De artikelen als geheel maken duidelijk waaruit de verschillen van mening op dit punt voortkomen, al hadden betrokkenen op sommige punten een andere woordkeuze kunnen maken. Met name hadden zij bij het vermelden van de aantijging van fraude in een ander publiciteitsorgaan zich terughoudender kunnen opstellen gezien de delicate materie waar het in het bijzonder bij dit liefdadigheidsfonds om gaat. Ook hadden betrokkenen bij de geuite kritiek op de wijze van beleggen dieper kunnen ingaan op het verschil in risicoloos beleggen en speculatie. Op relevante punten zijn de publikaties echter niet onjuist.

 

 

Op grond van het bovenstaande is de Raad van oordeel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

 

 

 

 

Beslissing

 

De Raad acht de klacht ongegrond.

 

 

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC-Handelsblad te publiceren .

 

 

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 17 december 1990 door mr P. J. Boukema, voorzitter, mr G Dullens, D F. Houwaart, J. M. P J Verstegen en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

 

 

 

 

 

RvdJ 1990, 20.