1990/2 ongegrond

F. VELDMAN EN F. R. VELDMAN TEGEN FRITS ABRAHAMS EN NRC-HANDELSBLAD

Bij brief van 12 april 1989 met negen bijlagen en aanvullende brief van 15 mei 1989 hebben F. Veldman te Oms (Frankrijk) en F. R. Veldman te Overasselt (klagers) een klacht ingediend tegen Frits Abrahams en de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad (betrokkenen). Bij brief van 28 mei 1989 met drie bijlagen heeft Frits Abrahams op de klacht gereageerd. Klagers hebben gerepliceerd in een brief van 29 juni 1989 met twee bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 februari 1990. Klagers waren in persoon aanwezig. Zijdens betrokkenen is verschenen Frits Abrahams.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager F. Veldman geldt als de grondlegger van de haptonomie en is schrijver van het in 1988 in Nederland verschenen boek 'Haptonomie, Wetenschap van de Affectiviteit', welk boek eerder in het Frans verscheen. Naar aanleiding van het verschijnen heeft betrokkene Abrahams een gesprek gevoerd met F. Veldman en is in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC-Handelsblad van 25 februari 1989 onder de titel 'De pijn van het ontgrensde zijn' een artikel van zijn hand gepubliceerd over haptonomie als 'een nieuwe rage in de gezondheidszorg'. Het artikel vermeldt onder meer het volgende.

In 1964 heeft klager F. Veldman in Nijmegen de Academie voor Haptonomie en Kinesionomie gesticht. In 1979 droeg klager de academie over aan de stafleden Van Minnen en Troost. Hij bleef aan de academie verbonden als adviseur maar trok zich na een conflict in 1981 terug in de Franse Pyreneeën waar hij het Centre International de Recherche et de Développement de l'Haptonomie opzette. De academie raakte in 1984 in andere handen. Troost bleef er aan verbonden maar Van Minnen begon zelfstandig een opleiding op het gebied van de haptonomie. In 1985 werd door klager F. R. Veldman, arts en zoon van F. Veldman, in Overasselt bij Nijmegen het Wetenschappelijk Instituut voor Haptonomie opgericht.

Het artikel vermeldt een aantal uitspraken van klager F. Veldman over zijn rol bij de ontwikkeling van de haptonomie, de betekenis van de haptonomie en zijn kritiek op misbruik van de haptonomie door Ted Troost en anderen. Daarnaast vermeldt het artikel kritiek van P. Helders, hoofd fysiotherapie van het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht en hoofdredacteur van het Nederlands Tijdschrift voor Fysiotherapie op de algemene toepassing van haptonomie door fysiotherapeuten, alsmede kritiek daarop door dr. C. Renckens, voorzitter van de Vereniging tegen Kwakzalverij. Tenslotte vermeldt het artikel de indiening van een aantal strafklachten door patiënten van therapeuten die werken op basis van de haptonomie.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De Raad vat de bezwaren van klagers samen als volgt.
1. Klager F. Veldman heeft toestemming verleend tot en meegewerkt aan een interview met Frits Abrahams onder de voorwaarde dat hij de tekst van het interview vooraf ter inzage zou krijgen met het recht publikatie tegen te houden alsmede onder de voorwaarde dat het te publiceren interview zich zou beperken tot zijn persoon. De haptonomie als wetenschap zou derhalve in het interview slechts aan de orde komen voorzover deze in direct verband staat met zijn persoon .
2. De haptonomie is in het artikel niet beschreven als de wetenschap zoals klager deze voorstaat maar als misbruikte methode in de Nederlandse gezondheidszorg waartegen nu juist klagers voortdurend strijden.

Ter toelichting van het eerste hebben klagers gewezen op het feit dat de aanleiding voor het interview gelegen was in het uitkomen van het boek 'Haptonomie, Wetenschap van Affectiviteit' en dat de Nederlandse uitgever bemiddelde bij het contact met Frits Abrahams. De reden hiervoor is dat klager zich in het algemeen verre houdt van publiciteit, hetgeen volgens klager ook aan Abrahams is duidelijk gemaakt. Om die zelfde reden heeft klager F. Veldman tegenover Abrahams benadrukt dat het te publiceren interview zich zou dienen te beperken tot zijn persoon en een beschrijving van de haptonomie zoals hij deze voorstaat. Als Abrahams daarnaast meer over de haptonomie zou willen schrijven zou dat in een apart artikel dienen te gebeuren.

Klagers hebben er voorts op gewezen dat Abrahams bij brief van 19 februari 1989 de weerslag van het afgenomen interview op schrift toezond en dat dit na het aanbrengen van een aantal correcties is geretourneerd. Aan die tekst hebben klagers hun fiat gegeven, maar het gepubliceerde artikel bleek slechts voor een klein gedeelte uit onderdelen van deze tekst te bestaan.
Betrokkene Abrahams heeft de door klagers gestelde afspraak bestreden. Volgens Abrahams
heeft hij vanaf het begin af aan duidelijk gemaakt dat hij een breed artikel over de haptonomie voor ogen had al was de aanleiding de publikatie van het boek van F. Veldman. Het is wel juist dat hij heeft toegezegd de tekst van het vraaggesprek ter controle van feitelijke onjuistheden voor publikatie ter inzage te geven. Aan deze afspraak heeft hij zich gehouden en de door F. Veldman aangebrachte correcties heeft hij ook overgenomen.
Abrahams wijst er op dat in zijn begeleidende brief van 19 februari de volgende passage voorkomt. 'Niet alle citaten kunnen in het uiteindelijke artikel worden opgenomen, omdat daarin ook ruimte moet zijn voor de mening van anderen, maar de citaten die wél worden opgenomen, zullen wat betreft de formulering overeenstemmen met de versie die ik u bij deze doe toekomen'.

Deze passage bevestigt dat het van meet af aan de bedoeling was het gesprek met klager onderdeel te maken van een breder opgezet artikel. Klager F. Veldman heeft op deze alinea niet gereageerd. Volgens Abrahams is er geen sprake van dat hij zou hebben toegezegd het hele artikel onder een vetorecht voor F Veldman voor publikatie aan hem ter inzage te doen toekomen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat bij deze klacht in hoofdzaak om de beoordeling van de vraag of betrokkene Abrahams de door klagers gestelde afspraak heeft geschonden.
Op grond van de toelichting van partijen ter zitting en gezien de brief van betrokkene Abrahams van 19 februari 1989 is de Raad van oordeel dat tussen partijen een misverstand heeft bestaan omtrent hun wederzijdse bedoelingen. De Raad acht het aannemelijk dat klagers daadwerkelijk in de veronderstelling hebben verkeerd dat betrokkene Abrahams niet meer dan een interview met klager F. Veldman zou publiceren, dat wil zeggen een stuk dat grotendeels zich zou beperken tot de weergave van het met F. Veldman gehouden vraaggesprek. Anderzijds acht de Raad het evenzeer aannemelijk dat betrokkene Abrahams deze beperking nimmer heeft gewild of heeft voorgesteld en dat hij van zijn kant steeds een andere opzet voor ogen heeft gehad.
Uit het voorgaande volgt dat de afspraken zoals klagers die weergeven niet tot stand zijn gekomen. Voorzover die afspraken inhielden dat F. Veldman de weergave van zijn eigen woorden zou kunnen controleren en corrigeren is dat feitelijk gebeurd. De Raad overweegt dat klagers in dat opzicht ook geen bezwaren tegen het artikel naar voren hebben gebracht behoudens op enkele ondergeschikte punten.

De bezwaren richten zich voorts tegen de strekking van het artikel waarbij naar het oordeel van klagers geen recht wordt gedaan aan de haptonomie als wetenschap. Het is echter niet de taak van de Raad, evenmin als dit voor de Raad mogelijk is, de leer van klagers over de haptonomie inhoudelijk te toetsen. De kritische beschrijving van betrokkene Abrahams van de haptonomie als verschijnsel valt binnen diens journalistieke vrijheid.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC-Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 februari 1990 door mr. P. J. Boukema, voorzitter, mr. E. C. M. Jurgens, W. F. de Pagter, J. M. P. J. Verstegen, en K. Wiese, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1990, 2.