1990/18 gegrond

Louis A. van Gasteren tegen Het Parool

Bij klaagschrift van 23 februari 1990 met 29 bijlagen heeft mr H. F. Doeleman te Amsterdam namens Louis Alphons van Gasteren (klager) een klacht ingediend tegen de volgende aan Het Parool verbonden journalisten: Bart Middelburg, Sytze van der Zee en Lambiek Berends (betrokkenen). De klacht is aangevuld in een nader klaagschrift van 22 mei 1990 met 7 bijlagen.
Namens betrokkenen heeft mr W C van Manen te Amsterdam op de klacht gereageerd in een verweer schrift van S juni 1990 met 2 bijlagen.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 1 oktober 1990. Klager is in persoon verschenen. Onder het overleggen van nog 7 bijlagen bij de klacht heeft mr H. F Doeleman het standpunt van klager mondeling toegelicht.
Van de zijde van betrokkenen is verschenen Bart Middelburg. Het standpunt van betrokkenen is mondeling toegelicht door mr W C van Manen.
Op het verzoek van klager de zaak te behandelen met gesloten deuren is afwijzend beschikt.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
Klager heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog op 24 mei 1943 in zijn huis in de Beethovenstraat te Amsterdam als jongeman van 19 jaar een door hem in zijn huis opgenomen Joodse onderduiker om het leven gebracht. Het lijk werd verborgen in een kist en in een water bij Amsterdam geworpen waar het korte tijd later werd ontdekt. Klager is vervolgens bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 15 juni 1944 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van vier jaar wegens doodslag en wegens het wegvoeren van een lijk met het oogmerk om het overlijden te verhelen. Van de primair ten laste gelegde moord en van de ten laste gelegde diefstal van een geldbedrag van ongeveer f 500,-, toebehorende aan de vermoorde Walter Oettinger werd klager vrijgesproken. Ongeveer zes maanden na het einde van de oorlog is klager op grond van de door hem gevraagde en verkregen gratie vrijgekomen.

In een naar aanleiding van het in december 1989 te Amsterdam gehouden tweede International Documentary Festival met Hans Beerekamp gehouden vraaggesprek heeft klager op de vraag hoe hij de dag van de bevrijding doorbracht blijkens de publikatie van dit vraaggesprek in NRC Handelsblad van 1 december 1989 geantwoord, dat hij toen gedetineerd zat in de gevangenis aan de Amstelveenseweg te Amsterdam wegens het liquideren van een 'levensgevaarlijke' onderduiker. Het desbetreffende artikel vermeldt dat klager, die cineast is, plannen heeft voor een film hierover.

'Van Gasteren heeft plannen om deze episode uit zijn leven te verwerken tot een film, 'Er is geen vliegtuig naar Zagreb': 'Ik heb al dingen gefilmd en gereconstrueerd, materiaal verzameld uit de oorlog, zelfs over de liquidatie van die onderduiker die voor mij gewoon een levensbedreiging was - en niet voor mij alleen maar ook voor anderen - en na gemeen overleg moest worden geliquideerd. Daar heb ik al opnamen van gemaakt.'

In het bijvoegsel PS van Het Parool van 27 januari 1990 verscheen een door Bart Middelburg geschreven artikel onder de kop 'Een moord in de Beethovenstraat' met daaronder de tekst

'In de badkamer van een etagewoning in de Amsterdamse Beethovenstraat werd op 24 mei 1943 de Duits-joodse onderduiker Walter Oettinger vermoord dat staat vast. Ook de dader is bekend: de toenmalige electricien en latere cineast Louis van Gasteren. Vorige maand kondigde hij zelfs een film aan over de liquidatie, onder de titel 'Er is geen vliegtuig naar Zagreb' Bijna vijftig jaar na dato is echter nog altijd niet opgehelderd of de liquidatie een verzetsdaad, dan wel een ordinaire roofmoord was Osewoudt en Dorbeck in de Beethovenstraat'
Het volgende citaat uit deze tekst is als samenvatting bij het artikel afgedrukt:

'Was dood van Walter Oettinger daad van verzet of roofmoord?' Het artikel werd op de voorpagina van de krant aangekondigd onder de kop: 'Moord' met de tekst 'Wie de Joodse onderduiker Walter Oettinger vermoordde staat vast Maar was het een verzetsdaad of een roofmoord?' Aan het slot van het artikel wordt als volgt verwezen naar een artikel in NRC Handelsblad van 1 december 1989:
'Begin december deed Van Gasteren een opmerkelijke stap: bijna vijftig jaar na dato bracht hij de zaak Oettinger zélf in de openbaarheid, waarbij hij zichzelf ook nu weer presenteerde als een oud verzetsstrijder.( ...)
Hij kondigde zelfs een film aan over de affaire (...) ook al wordt in zijn omgeving sterk betwijfeld of die film er ooit wel zal komen: het plan is al heel oud.'

In het eerste deel van Middelburgs artikel wordt verslag gedaan van het om het leven brengen van de onder duiker en het verloop van de straf zaak. Na de mededeling dat de rechtbank het beroep van klager op noodweer-exces heeft verworpen bevat het artikel de volgende passage:

'Bovendien waren er aanwijzingen dat er integendeel sprake was geweest van een roofmoord. Zo had een pianist (wiens naam niet wordt genoemd in de rechtbankverslagen) tegenover de politie verklaard dat hij kort na de moord van de verdachte geld had geleend, dat er uitzag alsof het lang in het water had gelegen.
Dat was gebeurd in de koffiekamer van de Stadsschouwburg, waar Van Gasteren toen als electricien werkte.'

Volgens Middelburgs artikel heeft klager sinds de oorlog 'consequent gezwegen' over de zaak Oettinger. Toen in een artikel van Adriaan van Dis in NRC Handelsblad van 16 april 1982 de zaak aan de orde kwam in een relaas van de als 'mevrouw C' aangeduide, oud illegaal werkster Greet Carvalho, heeft klager volgens Middelburgs artikel door het inschakelen van een advocaat het opnemen van een corrigerende mededeling bewerkstelligd, ook al werden klager en de onderduiker in dat artikel van Van Dis niet met name genoemd Middelburgs artikel deelt mee dat dit ge beurde op grond van onder meer een onder de aandacht van de redactie gebracht bericht uit het Algemeen Handelsblad van 26 januari 1946 dat klager 'thans volledig gerehabiliteerd' was en dat luidde als volgt:

'De Groote Adviescommissie der illegaliteit deelt thans mede, dat des tijds bij de behandeling van de zaak de juiste toedracht van het voorgevallene verborgen moest blijven. Na de bevrijding werd door de ex-illegale organisatie 'de Vrije Groepen', een federatie van illegale groepen, die zich bezig hielden met de verzorging van onderduikers met bonkaarten, persoonsbewijzen en geld, aangetoond dat Van Gasteren den Joodschen onderduiker uit den weg moest ruimen in het belang van het verzet.'

Middelburgs artikel vervolgt met een bespreking van de betekenis van dit bericht. Onder verwijzing naar de woorden van de vroegere secretaris van deze commissie, mr H W Sandberg, en een lid van de Commissie Karel de Vries, wordt gesteld dat van rehabilitatie geen sprake is geweest en dat aan de destijds aan de pers aangeboden brief van de commissie slechts de aan klager verleende gratie ten grondslag heeft gelegen.

'Gratie is echter heel iets anders dan rehabilitatie 'Ja dat klopt', zegt De Vries .'Van rehabilitatie is pas sprake als heropening van de zaak uitwijst dat je inderdaad onschuldig bent. Toen hebben de ouders voor gratie gekozen.'

Waarom ging de minister akkoord met gratie? 'Omdat hij tot de overtuiging was gekomen dat Van Gasteren ten onrechte in de kast zat.'
Op grond waarvan? 'Op grond van wat de ouders van Van Gasteren en mijn persoontje hem hadden verteld.' En op grond waarvan was De Vries tot de overtuiging gekomen dat Van Gasteren ten onrechte vast zat? 'Gewoon, de zaak kennende had ik daar geen enkele twijfel over. Nee ik was zelf niet bij de liquidatie betrokken geweest, en ik had ook niet met Van Gasteren in een illegale groep gezeten. Ik weet niet eens in welke groep Van Gasteren had gezeten, of wat die groep deed. Maar ik kende de zaak wel al een tijdje'
De Vries peinst er echter niet over toe te lichten wat nu eigenlijk het belang van het verzet was Oettinger te liquideren. 'Het was mijn overtuiging dat Van Gasteren ten onrechte vast zat, en dat was meer dan zo maar even een gevoelentje. Meer wil ik er echt niet over zeggen' Kan De Vries zelfs geen indicatie geven? 'Nee', zegt hij resoluut.'

In het vervolg van Middelburgs artikel komt Greet Carvalho aan het woord in onder meer de volgende passages.

'Greet Carvalho, die Oettinger zo mer 1942 op een adres op de Koninginneweg onderbracht, kent Karel de Vries wel 'Jaren geleden sprak ik eens over de zaak Oettinger met Frits van Eugen, de oud directeur van uitgeverij Querido Van Eugen deed in de oorlog ook illegaal werk; kort geleden is hij overleden. Hij zei toen spontaan en heel duidelijk: 'Maar Greet, dat was gewoon een roofmoord iemand die precies weet wat er gebeurd is heeft me dat kort erna verteld ' .
'Die iemand was Karel de Vries (... )'
Bijna veertig jaar lang liet Greet Carvalho de zaak Oettinger rusten. Zij wist immers niet beter dan dat Oettinger primair om z'n geld was vermoord, en dat de dader was gepakt en z'n straf had uitgezeten. (...)
Tot NRC Handelsblad in april 1982 haar uitspraken tegenover Adriaan van Dis rectificeerde met de mededeling dat de liquidatie 'een door de bezettingsomstandigheden geboden daad van een jonge verzetsstrijder' was geweest. 'Toen rees er een aantal vragen. Bij voorbeeld: als Van Gasteren werkelijk verzetswerk deed, was er dan geen andere mogelijkheid geweest dan liquidatie? Hij had ergens anders ondergebracht kunnen worden, dat gebeurde wel vaker Desnoods was Van Gasteren zelf verhuisd'. (...)
'En waar is het geld gebleven waar Oettinger volgens zijn oom en tante ruim over kon beschikken? Er is al het verhaal van de pianist uit 1944, die na de liquidatie geld van Van Gasteren had geleend dat er uitzag alsof het in het water had gelegen.
'Na de oorlog vertelde Jo Sternheim, een goede kennis van me die evenals de vader van Van Gasteren en Albert van Dalsum altijd vaste toneelspeler in de Stadsschouwburg was geweest, me nog een ander verhaal Sternheim, Albert van Dalsum en ook August Defresne hadden van de inspeciënt van de Stadsschouwburg, Co de Haas, namelijk gehoord dat hij Van Gasteren na de liquidatie bij een verwarmingsketel in de kelder van de schouwburg in de weer had gezien met een hoop geld. De Haas had hem toen gevraagd wat dat te betekenen had, waarop Van Gasteren had gezegd: 'Dat gaat je helemaal niets aan, ik zit bij het verzet'. Sternheim, Van Dalsum en Defresne hebben Van Gasteren senior daarop gevraagd of ie wilde bemiddelen in een gesprek met zijn zoon, omdat zij opheldering wilden Van Gasteren weigerde dat echter waarna dat drietal alle privé contacten met hem heeft verbroken. Na de bevrijding hebben ze er bij Justitie aangifte van gedaan.'
Een zoon van Sternheim bevestigt het verhaal: 'Mijn vader mocht als jood niet meer in de schouwburg komen, dus hij hoorde het van Co de Haas. Volgens mijn vader ging het echt om zakken vol geld.'
Sinds 1982 heeft Greet Carvalho Van Gasteren herhaaldelijk verzocht een bevredigend antwoord te geven op haar vragen. 'Ik weet niet eens hoe Oettinger na de inval op de Koninginneweg bij Van Gasteren te recht is gekomen. Een paar keer heeft hij geprobeerd mij er van te overtuigen dat hij heus te goeder trouw was geweest, maar opening van zaken weigert hij te geven.'

Middelburgs artikel heeft geleid tot een aantal andere publikaties, waaronder een column van Journaille in Het Parool van 29 januari 1990 en een reactie daarop van betrokkene Lambiek Berends, chef van het bijvoegsel PS, onder de kop 'De hofnar gebruikt zijn narren-kap oneigenlijk' Dat artikel eindigt met de volgende zin:
'Hij (Journaille RvdJ) zou er goed aan doen openlijk zijn excuses aan te bieden aan Bart Middelburg.'

In een artikel in Het Parool van 5 februari 1990 heeft betrokkene Middelburg gereageerd op o.a. bovenge noemde column van Journaille van 29 januari, alsmede op een in de krant van 3 februari 1990 gepubliceerd artikel van Karel de Vries. 'De 'Beethovenstraat' anders belicht'
In Het Parool van 24 februari 1990 is onder de kop 'Dossier van de moord in de Beethovenstraat' een vervolgartikel van betrokkene Middelburg opgenomen. Bij dit stuk staat afgedrukt een kopie van een bladzijde uit een proces-verbaal uit het strafdossier van klager.
Tenslotte is in de NOS-televisieuitzending van het programma Lopend vuur van 8 januari 1990 in een vraag gesprek naar aanleiding van het 50 jarig bestaan van Het Parool met o.a betrokkene Van der Zee, de oudhoofdredacteur mr H W Sandberg en de oud-Parooljournaliste Jeanne Roos aandacht besteed aan de over het artikel van 27 januari ontstane publiciteit. Volgens het transscript van dit programma heeft betrokkene Van der Zee op de mededeling van Jeanne Roos dat het artikel voor haar niets nieuws bevatte, gereageerd met: 'Maar wist jij ook dat het mogelijkerwijs een roofmoord zou geweest kunnen zijn. Jij zegt: ik wist het allemaal. Ook een roofmoord.'
Op de vraag van de interviewster Leoni Janssen: 'Maar ik begrijp dat u het heeft gepubliceerd omdat er twijfel is omtrent Van Gasteren. Omdat u vindt dat de mensen moeten weten dat het ook een roofmoord geweest zou kunnen zijn'. heeft betrokkene Van der Zee geantwoord: 'Als hij zich publiceert als verzetsheld, en het blijkt dat het een roofmoord is geweest dan moet zoiets toch, en hij is een publiek figuur, dan moet op een gegeven moment dat dan aan de kaak stellen'.

De standpunten

De klacht houdt samengevat in dat betrokkenen zich van publiciteit over de zaak hadden moeten onthouden en dat het artikel van 27 januari 1990 ten onrechte de beschuldiging van roofmoord bevat Klager acht de artikelen onzorgvuldig, eenzijdig, suggestief in de weergave van feiten, gebaseerd op onvoldoende bronnenonderzoek en lasterlijk dan wel smadelijk dan wel diffamerend. Voorts bevat het artikel van 27 januari onjuistheden.

Klager heeft het bovenstaande geadstrueerd door het volgende.
1 Betrokkene Middelburg had van zijn artikel moeten afzien toen bleek dat het gratiedossier vernietigd was en dat klager zelf niet aan het artikel wilde meewerken. Deze omstandigheden hadden immers tot gevolg dat een behoorlijk onderzoek naar de feiten na meer dan 40 jaar onmogelijk is. De door klager geleden materiele en immateriële schade was voorzienbaar terwijl geen redelijk belang maar slechts sensatiezucht met de artikelen zou worden gediend.
2 Klager is destijds vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal. Het artikel van 27 januari 1990 draagt hieromtrent geen nieuwe gegevens aan. Geciteerd wordt wat een zoon van Jo Sternheim van zijn inmiddels overleden vader gehoord zou hebben. De juistheid daarvan kan dus niet meer geverifieerd worden. Voor het overige is de beschuldiging dat er wel sprake was van diefstal, gebaseerd op mededelingen van mevrouw Carvalho. Klager acht haar een onbetrouwbare bron. Hij verwijst daartoe onder meer naar een brief van K. L. de Vries van 20 februari 1990 aan zijn advocaat. De Vries deelt daarin mee dat hij nimmer aan de door mevrouw Carvalho bedoelde man gezegd heeft dat de daad van klager een roofmoord is geweest.
3 Voor het door klager zelf genoemde motief voor zijn daad, namelijk verzetsbelangen, bestaat wel bewijs. Omdat dit belang bij de behandeling van zijn strafzaak niet heeft kunnen meewegen (het verzetswerk moest uit de openbaarheid blijven) is na de oorlog een gratieverzoek ingediend. Dat is toen ondersteund door K. L. de Vries, lid van de Groote Advies commissie der Illegaliteit en door andere met het verzet verbonden personen waaronder H. H. van der Wiele en Henriette van Bellen. Het verzoek werd voorts ondersteund door Sophie van Emde, die heeft bevestigd dat klager hulp aan Joden bood en dat hij persoonsbewijzen vervalste.
Hoewel gratie formeel gezien slechts strafvermindering inhoudt heeft de Groote Adviescommissie de gratie inhoudelijk opgevat als rehabilitatie. Dat blijkt uit de brief van de toenmalige secretaris van de commissie mr H. R. Sandberg van 24 januari 1946 aan de pers. Daarbij werd toegezonden het bericht volgens hetwelk klager 'thans is gerehabiliteerd en in vrijheid (is) gesteld.'
4 Betrokkene Middelburg heeft on voldoende bronnenonderzoek gedaan Belangrijke zegslieden zoals Henriette van Bellen, Sophie van Emde en K. L. de Vries, werden niet, onvoldoende of in een te laat stadium benaderd. Ook bij het RIOD werd onvoldoende onderzoek gedaan. Het artikel is aldus voornamelijk gebaseerd op één enkele, doch onbetrouwbare bron, namelijk mevrouw Carvalho. Betrokkenen hadden niet op grond alleen van die bron de zaak mogen oprakelen en in ieder geval hadden zij, afgaande alleen op die bron. niet de beschuldiging van
roofmoord mogen doen.

Klager verwijt betrokkene Middelburg dat hij in zijn artikel van 5 februari 1990 persisteert bij de beschuldiging uit het artikel van 27 januari en voor wat betreft het artikel van 24 februari 1990 is het verwijt van klager dat daarin een bladzijde uit een proces verbaal uit zijn strafdossier openbaar wordt gemaakt terwijl dat dossier niet ter inzage is voor derden en de kopie blijkens het artikel verkregen is doordat een oud-rechercheur zijn ambtsplicht tot geheimhouding geschonden heeft.

Aan Lambiek Berends verwijt klager dat deze in zijn artikel van 30 januari het standpunt van Middelburg overneemt en tot het zijne maakt.

Aan betrokkene Van der Zee verwijt klager publikatie van genoemde artikelen onder zijn verantwoordelijkheid van hoofdredacteur en daarnaast dat hij blijkens zijn uitlatingen in het televisieprogramma 'Lopend vuur' de beschuldigingen onder steunt en eveneens afgaat op de mededelingen van mevrouw Carvalho.

Betrokkenen hebben op de klacht gereageerd als volgt.
1 Het is juist dat klager rechtens niet verplicht is tekst en uitleg te geven. Dat betekent niet dat Het Parool van publikatie had moeten afzien, te meer niet nu klager door zijn uitlatingen in het artikel in NRC Handelsblad van 1 december 1989 zelf aanleiding heeft gegeven voor nieuwe publiciteit over het gebeurde.
2 De wijze waarop klager de onder duiker Oettinger om het leven heeft gebracht staat in grote lijnen vast. Hoewel de rechtbank klager slechts veroordeeld heeft tot doodslag is nadien komen vast te staan dat het levensberoving is geweest met voorbedachten rade. Dat klopt uit klagers eigen verklaring dat Oettinger na gemeen overleg door hem is geliquideerd en wordt ondersteund in de brie ven, die bij het gratieverzoek behoren.
3 De gerezen vragen hebben betrekking op klagers rol in het verzet, de door klager gestelde noodzaak van de liquidatie en het overleg, dat volgens klager over die noodzaak binnen het verzet is gevoerd. De personen waarop klager zich beroept blijken allen nagenoeg geheel afgegaan te zijn op hetgeen zij van klager zelf daar over hebben vernomen. Ook concrete gegevens over klagers rol in het verzet zijn in de verklaringen van deze personen slechts in zeer beperkte mate aanwezig. Het gemeen overleg blijkt te hebben bestaan uit de wijze waarop Oettinger zou kunnen worden omgebracht en heeft geen betrekking gehad op de noodzaak daarvoor.
4 Betrokkenen menen dat de gestelde onbetrouwbaarheid van mevrouw Carvalho niet wordt waargemaakt Zij heeft slechts getracht, onder andere door het benaderen van klager, zelf de juiste feiten te achterhalen.
Betrokkenen ontkennen dat zij overigens geen zorgvuldig bronnenonderzoek hebben gedaan. Anders dan door klager wordt gesteld is Middelburg bijvoorbeeld wel bij het RIOD geweest.
5 De rehabilitatie waarop klager zich beroept blijkt geen werkelijke rehabilitatie te zijn. Immers, er is geen heropening geweest van de strafzaak. Onopgehelderd blijft waarom de secretaris van de Groote Algemeene Adviescommissie naar aanleiding van de aan klager verleende gratie een bericht heeft toegestuurd aan de pers als zou klager gerehabiliteerd zijn.
6 Onopgehelderd blijft voorts hoe het kan dat klager na de dood van Oettinger over niet onaanzienlijke geldbedragen kon beschikken, terwijl volgens mededelingen van familieleden van Oettinger aan mevrouw Carvalho Oettinger niet onvermogend was.
7 Betrokkenen menen dat publikatie over de moord ook ruim 45 jaar na het sluiten van het strafdossier nog een zaak van algemeen belang is nu het onderzoek van betrokkene Middelburg een aantal vragen heeft opgeleverd over de moord zelf en de vermeende rehabilitatie, die nimmer eerder in het openbaar aan de orde zijn geweest.

Beoordeling

In de klacht worden twee vragen aan de orde gesteld.
1 Mocht de ongeveer 45 jaar gele den tegen klager gesloten straf zaak journalistiek heropend worden ook al is de wellicht belangrijkste bron voor met die zaak samenhangende feiten, namelijk het gratiedossier, vernietigd en ook al heeft klager zelf aan nieuwe publiciteit niet willen meewerken?
2. Mocht in de publikaties de suggestie worden gedaan dat klager destijds een roofmoord heeft begaan?

De eerste vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord. Klager is een bekend cineast en als zodanig een publieke figuur. Toen klager in een interview zelf in het openbaar heeft aangekondigd dat hij overweegt een film te maken over 'de liquidatie van die onderduiker die (...) na gemeen overleg moest worden geliquideerd' heeft hij daarmee ook zelf aanleiding gegeven voor nieuwe publiciteit over de zaak. Het feit dat klager aan het door betrokkene Middelburg voorgenomen artikel niet wilde meewerken, behoefde deze niet van het schrijven van een dergelijk artikel af te houden, evenmin als het feit dat het gratiedossier vernietigd was. Ondanks het ontbreken van deze twee bronnen kon voldoende materiaal aanwezig worden geacht voor het plaatsen van kritische kanttekeningen, zowel bij hetgeen over het misdrijf zelf bekend was als bij de betekenis van het na de oorlog verschenen rehabilitatiebericht.
Voor de beantwoording van de tweede vraag zal eerst moeten worden vastgesteld of met name het artikel van 27 januari 1990 de door klager gestelde suggestie van roof moord bevat. De Raad is van oordeel dat dit inderdaad het geval is. In de aankondiging van het artikel, in de kop, in een prominent citaat uit het artikel en in het artikel zelf worden als motief voor het misdrijf tegenover elkaar gesteld verzetsbelangen en roof, terwijl vervolgens de waarschijnlijkheid van eerstgenoemd motief zo zeer in twijfel wordt getrokken dat daardoor alleen het tweede overblijft. De Raad overweegt daarbij dat betrokkenen hebben erkend dat het artikel in deze zin geïnterpreteerd kan worden.

De Raad is van oordeel dat klager op dit punt terecht bezwaar heeft gemaakt tegen de publikaties. Immers, vanwege het ontbreken van belang rijke bronnen, waaronder het gratie dossier van klager, kon betrokkene Middelburg slechts beschikken over verklaringen van derden van wie vast staat dat zij geen van allen rechtstreekse wetenschap over de feiten kunnen hebben. Daartegenover staat wel vast dat klager destijds van diefstal is vrijgesproken Dat er enerzijds vraagtekens te plaatsen zijn bij de door klager zelf gestelde verzetsachtergrond van de daad, terwijl er anderzijds onbeantwoorde vragen zijn met betrekking tot geld waarover hij kort na de moord zou hebben beschikt, rechtvaardigt nog niet als conclusie te suggereren dat er sprake is geweest van een roofmoord, alleen al omdat hiermee mogelijke andere motieven worden uitgesloten. Daar het ten deze om een zeer zware beschuldiging ten opzichte van klager gaat, had betrokkene zich in de gegeven omstandigheden van het op deze wij ze doen van deze suggestie moeten onthouden.

Voorzover de klacht betrekking heeft op o.a in het artikel van 27 januari 1990 voorkomende onjuistheden verwerpt de Raad de klacht reeds op grond van de overweging dat deze onjuistheden niet van dien aard zijn dat zij klager schade berokkend kunnen hebben. Ook op de overige punten acht de Raad de klacht ongegrond.

Beslissing

De Raad is van oordeel dat betrokkenen de grenzen hebben overschreden van hetgeen, gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is door in een artikel over een 45 jaar geleden tegen klager gesloten strafzaak ter zake van een door hem in de oorlog gepleegd levensdelict, de zich als onontkoombare conclusie opdringende suggestie te doen dat het daarbij niet ging om een met het verzet samenhangende levensberoving maar om een roofmoord, en dit zonder dat deze suggestie voldoende gestaafd werd door concrete en bewijsbare feiten.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Het Parool te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 1 oktober 1990 door mr P. J. Boukema, voorzitter, J. L. de Troye, mr G. Dullens, drs H .W. M. van Run en mr A. J .Heerma van Voss, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1990, 18.