1990/15 ongegrond

A. BOSCH TEGEN DE ZWOLSE COURANT

Per brief van 9 mei 1990 met één bijlage heeft mr E. J. de Regt te Amsterdam namens A. Bosch te Nieuw Leusen (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Zwolse Courant, J. Bartelds (betrokkene). Deze heeft in een brief van 22 juni 1990 met vijf bijlagen op de klacht gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 augustus 1990. Partijen zijn op die zitting niet verschenen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
Eiser was destijds directeur van de te Staphorst gevestigde bierbrouwerij Marquis de Bosch. Deze bierbrouwerij was opgezet met steun van de Overijsselse Ontwikkelings Maatschappij (OOM), maar is in 1989 op aanvraag van de OOM in staat van faillissement verklaard.

Bij de presentatie van het jaarverslag van de OOM over 1989 werd door haar directeur mr J. G. Wassmer een toelichting gegeven op het tekort van 1,3 miljoen gulden. In de Zwolse Courant van 26 april 1990 is in een bericht onder de kop 'Verlies OOM door Staphorster faillissement' en in kleinere letters daarboven 'Bierbrouwerij ter ziele door 'mismanagement'' aandacht besteed aan de openbaarmaking van het jaarrapport. De eerste twee alinea's van dit bericht luiden als volgt.

'De Overijsselse Ontwikkelings Maatschappij (OOM) heeft bij justitie aangedrongen op strafvervolging van de directie van de vorig jaar failliet verklaarde bierbrouwerij Marquis de Bosch in Staphorst. OOM-directeur mr 1 G. Wassmer maakte dit gisteren bekend bij de presentatie van het jaarrapport 1989.
Daarin komt een tekort naar voren van 1,3 miljoen, dat vrijwel geheel is toe te schrijven aan de perikelen rond de Staphorster bierbrouwerij. De OOM participeerde daarin voor een half miljoen gulden, terwijl er tevens voor 750.000 gulden aan leningen was verstrekt. De OOM besloot vorig jaar zelf het faillissement aan te vragen.
Volgens Wassmer moet de oorzaak van de problemen worden gezocht in 'heel sterk mismanagement'. 'Er is geld gebruikt voor dingen waar het niet voor bestemd was. Het produkt was goed, maar dan moet je wel een goede ondernemer hebben', aldus de OOM-directeur, die wel bij justitie is geweest, maar op de details van dat contact niet wil ingaan' .

DE STANDPUNTEN

Klager meent dat hij voor iedereen in de omgeving van Zwolle en in de 'bier-branche' herkenbaar is als de directeur van de failliet verklaarde brouwerij ook al wordt zijn naam niet genoemd. Hij heeft gesteld schade te lijden door de inhoud van het artikel 'nu het hem door het zwart maken van zijn persoon vrijwel onmogelijk wordt gemaakt nieuwe handelsactiviteiten aan te gaan'. Hij meent dat de journalist hem commentaar had moeten vragen op de uitlatingen van mr Wassmer. Door dat na te laten en doordat de hoofdredacteur geweigerd heeft hem een interview af te nemen om ook zijn visie over het faillissement en zijn rol daarbij naar voren te kunnen brengen, zijn naar het oordeel van klager de beginselen van zorgvuldige journalistiek niet in acht genomen.

Betrokkene heeft geantwoord dat de krant naar aanleiding van het faillissement in 1989 vele pogingen heeft gedaan met klager in contact te treden, hetgeen toen niet mogelijk bleek. Mede om die reden heeft de krant er van afgezien klager om commentaar te vragen op de woorden van mr Wassmer bij de presentatie van het jaarverslag van de OOM. Toen klager zich naar aanleiding van het bericht hierover van 26 april 1990 tot de hoofdredacteur wendde met het verzoek om een interview, is hem aangeboden een ingezonden brief op te nemen. Daarop is klager niet ingegaan. Betrokkene meent dat aan de krant niets te verwijten valt.

BEOORDELING

De in het bericht van 26 april 1990 weergegeven uitlatingen van OOM-directeur Wassmer zijn gedaan bij gelegenheid van de openbare presentatie van het jaarverslag van de OOM. Gegeven die omstandigheid heeft betrokkene niet laakbaar gehandeld door daarover te berichten zonder klager om commentaar te vragen. Dit geldt te meer nu klager in de gelegenheid is gesteld achteraf te reageren middels een ingezonden brief.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in de Zwolse Courant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 31 augustus 1990 door mr P. J. Boukema, voorzitter, mr. T. Faber-de Heer, mr L. van Vollenhoven, mr D. T. Dalmolen en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1990, 15.