1990/14 ongegrond

J. K. LEUTSCHER TEGEN HET ALGEMEEN DAGBLAD

In een brief van 5 april 1990 met één bijlage en een aanvullende brief van 15 mei 1990 met één bijlage heeft J. K. Leutscher (klager) te Alicante (Spanje) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad, J. Abram (betrokkene). Deze heeft op de klacht gereageerd in een brief van 5 juni 1990. Hierop zijn brieven gevolgd van klager van 2 juli 1990 met één bijlage en van betrokkene van 26 juli 1990.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 augustus 1990. Klager was in persoon aanwezig. Namens betrokkene zijn verschenen W. H. K. Ammerlaan en C. Brendel.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In 1972 heeft de Vara in vier televisieuitzendingen aandacht besteed aan het exploderen van limonadeflessen van o.a. het merk Exota. De limonade van dit merk werd vervaardigd door de limonadefabriek van de familie Van Tuijn uit Dongen. Wegens de na deze publiciteit zeer sterk dalende omzet heeft de familie Van Tuijn het bedrijf verkocht aan klager, die het later doorverkocht .
Begin 1990 is in een rechterlijke uitspraak vastgesteld dat een van de vier televisieuitzendingen onrechtmatig is geweest jegens de fabrikant. Naar aanleiding hiervan is in opdracht van klager beslag gelegd op de Vara-gebouwen ter verzekering van de nog in zijn handen rustende schadeclaim.
Naar aanleiding van dit nieuwsfeit is in het Algemeen Dagblad van 24 maart 1990 onder de kop 'Exota-zaak blijft knallen' en daaronder in kleinere letters 'Leutscher peurt winst uit fouten van anderen' een artikel gepubliceerd over de persoon van klager. Bij het artikel zijn o.a. afgedrukt een foto van klager, alsmede van een kraakpand in Amsterdam dat voorzien is van spandoeken met de volgende teksten 'geen geleutscher met onze panden'! en 'Leutscher in de bak'!.
Het kraakpand is verder voorzien van een bord met de volgende ook op de foto goed leesbare tekst

'de eigenaar van dit pand is J. K. Leutscher: een witte boorden krimineel woonachtig in Spanje: i.v.m. spekulatie, fraude, belastingontduiking enz. bekend, diverse malen is hij veroordeeld en sinds 1988 persoonlijk failliet verklaard. Zijn vermogen heeft hij echter in tientallen vage B.V.'s ondergebracht. . . . . Wij wijken niet voor oplichters'.

In het artikel wordt melding gemaakt van de proceslust van klager blijkend uit vele door hem bij vele instanties ingestelde procedures en ingediende klachten waaronder 150 procedures tegen de familie Van Tuijn over de afrekening ter zake van de verkoop van de limonadefabriek met als inzet een bedrag van 7,3 miljoen gulden.

Ter illustratie van de stelling dat klager ook in het geval van kleinere belangen procedures niet schuwt wordt melding gemaakt van een conflict met de voormalige hockey international Lisette Stevens, die na vier jaar procederen veroordeeld werd tot het betalen van een schadevergoeding van f 200,- aan klager ter zake van een huurconflict en een geschil met de dienst der Domeinen, waar volgens het artikel voor veel geld geschikt werd omdat klager de dienst der Domeinen aan de letter van het koopcontract hield ter zake van een stuk grond waarop een transformatorhuisje bleek te staan.
Verder wordt in het artikel melding gemaakt van het persoonlijke faillissement van klager in 1988, het feit dat de curator het faillissement heeft moeten voordragen voor opheffing bij gebrek aan baten en een veroordeling van klager wegens belastingfraude, welke zaak in hoger beroep tot vrijspraak leidde wegens procedurele fouten.
Tenslotte wordt melding gemaakt van het feit dat klager zijn vermogen heeft veilig gesteld in vele vennootschappen waarvan enkele gevestigd zijn in het buitenland, alsmede dat hij eigenaar is van kraakpanden. Bij dat laatste wordt geciteerd uit een door de krakersbeweging over Leutscher in de handel gebracht zwartboek.
In het artikel worden niet alleen een aantal betrokkenen bij bovengenoemde feiten aan het woord gelaten zoals de advocaat van de familie Van Tuijn, een lid van de familie Van Tuijn, een bedrijfsjurist, de curator in het faillissement en de advocaat van klager, maar ook klager zelf.

DE STANDPUNTEN

Klager heeft zijn bezwaren samengevat in de volgende zin:
'ik meen dat de inhoud (van het artikel - RvdJ) onjuist en misleidend is en (dat er - RvdJ) sprake (is - RvdJ ) van karaktermoord'.
In zijn brief van 15 mei 1990 heeft klager dit geadstrueerd door 15 passages te noemen waartegen hij bezwaar heeft en door te wijzen op de tegen hem gerichte tekst op de spandoeken en het bord van het op de foto afgebeelde kraakpand. Bij de behandeling heeft klager ten aanzien van een aantal passages erkend dat deze op zichzelf niet onjuist zijn. Klager meent echter dat er onvoldoende gelegenheid is geweest tot weerwoord, waardoor een eenzijdig en negatief beeld over hem is ontstaan.
Betrokkene heeft geantwoord dat de twee journalisten, die het artikel hebben geschreven, niet alleen gesproken hebben met tegenstanders van klager of geput hebben uit hem vijandelijke bronnen, maar dat zij hem ook zelf uitvoerig aan het woord hebben gelaten, terwijl er tevens een gesprek is geweest met zijn eigen advocaat .
'Uit het artikel blijkt, dat Leutscher zijn opvattingen over de Exota-zaak, het conflict met de familie Van Tuijn, de zwartboeken van de Amsterdamse kraakbeweging en zijn manier van werken in het algemeen, ruimschoots heeft kunnen ventileren. Overigens is het bij een artikel over een controversieel man als de heer Leutscher (die betrokken is geweest bij alleen al 150 juridische procedures tegen leden van de familie Van Tuijn) onvermijdelijk, dat er ook mensen aan het woord komen met voor de heer Leutscher onwelgevallige uitlatingen' .

BEOORDELING

Naar het oordeel van de Raad gaat het bij deze klacht om de vraag of klager voldoende de gelegenheid heeft gehad om het negatieve beeld te corrigeren dat derden van hem hebben geschetst en dat de betrokken journalisten in hun artikel naar aanleiding van de Exotazaak hebben weergegeven. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend omdat - zoals door klager niet wordt ontkend en ook uit het artikel blijkt - hij diverse malen contact heeft gehad met de betrokken journalisten, terwijl er ook een gesprek is geweest met zijn eigen advocaat.

In hoeverre de betrokken journalisten daarbij bepaalde concrete uitlatingen van derden expliciet aan klager hebben voorgelegd heeft de Raad niet kunnen vastellen. Voorzover dat niet is gebeurd had dat wel de voorkeur verdiend. Bij het schrijven van het artikel in zijn geheel hebben de betrokken journalisten jegens klager echter niet de grenzen overschreden van hetgeen gelet op hun journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is, ook al ligt op een enkel ondergeschikt punt het gelijk wellicht bij klager.

BESLISSING

De raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 31 augustus 1990 door mr P. I. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-de Heer, mr L. van Vollenhoven, mr D. T. Dalmolen en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1990, 14.