1990/12 gegrond

J. K. LEUTSCHER TEGEN VAN DAMME (HP)

Bij brief van 26 maart 1990 met drie bijlagen heeft J. K. Leutscher (klager) te Alicante (Spanje) een klacht ingediend tegen Pierre van Damme (betrokkene). Deze heeft schriftelijk op de klacht gereageerd. Hierop is een brief gevolgd van klager van 15 mei 1990 met één bijlage.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 augustus 1990. Klager was in persoon aanwezig. Betrokkene is niet verschenen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In 1972 heeft de Vara in vier televisieuitzendingen aandacht besteed aan het exploderen van limonadeflessen van o.a. het merk Exota. De limonade van dit merk werd vervaardigd door de limonadefabriek van de familie Van Tuijn uit Dongen. Wegens de na deze publiciteit zeer sterk dalende omzet heeft de familie Van Tuijn het bedrijf verkocht aan klager, die het later doorverkocht.
Begin 1990 is in een rechterlijke uitspraak vastgesteld dat een van de vier televisieuitzendingen onrechtmatig is geweest jegens de fabrikant. Naar aanleiding hiervan is in opdracht van klager beslag gelegd op de Vara-gebouwen ter verzekering van de nog in zijn handen rustende schadeclaim.
Naar aanleiding van deze nieuwsfeiten is in de Haagse Post van 24 maart 1990 een artikel verschenen van betrokkene waarin onder de kop 'De laatste druppel' en in kleinere letters 'Nooit meer champagnepils: opkomst en ondergang van een limonadegazeuse én van een familie' een interview is gepubliceerd met Stan van Tuijn, excommissaris van het familiebedrijf Van Tuijn's limonadefabrieken. Deze geeft zijn visie op het ontstaan van het familiebedrijf en de gang van zaken voor en na de publiciteit rond exploderende flessen van o.a. het merk Exota.

Over de figuur van klager is het volgende tussen aanhalingstekens geplaatste citaat opgenomen.

'Vieze spelletjes zijn er toen gespeeld. Slavenburg haalde er een outside adviseur bij, die namens de bank sprak, maar onbevoegd wel te verstaan. Op die manier is er een contract opgesteld tussen de familie en Leutscher. Ik noem die man een beroepsmatige oplichter en ik heb dat ook tegen hem gezegd. 'Kom kom meneer Van Tuijn', zei hij toen, 'koopman noemen wij dat'. Onze familie heeft geloof ik nog zeven miljoen van hem te vorderen in verband met die aandelentransactie, en we zijn echt niet de enigen. De fiscus heeft ook nog wat van Leutscher te goed. Hij betaalt namelijk nooit. Zwaait altijd met betaalcheques en roept altijd dat Slavenburg wel zal dekken. En die rechter grijpt heus wel's in, maar daar geeft hij niks om. Geld zat, en die procedures tegen hem kunnen jaren duren. In slepende zaken heeft hij zich nu eenmaal gespecialiseerd. Iedereen weet toch dat het een leugenaar en bedrieger is? Die man manipuleert verschrikkelijk met NV's, BV's, valse acties enzovoort. Je weet toch wel dat hij voor zijn praktijken eens tot een jaar gevangenisstraf en een miljoen gulden boete veroordeeld is?'

DE STANDPUNTEN

Klager verwijt betrokkene dat hij niet in de gelegenheid is gesteld commentaar te leveren op de uitlatingen van Stan van Tuijn over zijn persoon. Hij heeft wel contact gehad met een stagiaire van de Haagse Post, die hem zei een onderzoek te verrichten naar het verloop van de klachten over exploderende limonadeflessen. Daarover heeft klager toen zijn mening gegeven. Hem is niet gezegd dat er een artikel in voorbereiding was waarin Stan van Tuijn voornamelijk aan het woord zou komen en evenmin is hem het gewraakte citaat voorgehouden.

Betrokkene heeft geantwoord dat de visie van klager over de kwestie van de Exota-flessen is gevraagd en verkregen, zoals blijkt uit het artikel. Betrokkene achtte het niet zinvol de inhoud van het gewraakte citaat aan klager voor te houden omdat het gaat om een mening van Stan van Tuijn. Dat voorleggen zou naar het oordeel van betrokkene geen zin hebben omdat klager vermoedelijk alleen zou antwoorden het daarmee niet eens te zijn. Waar klager heeft gesteld dat volgens hem Marcel van Dam een leugenaar is, heeft betrokkene dat ook niet aan Van Dam voorgelegd .

BEOORDELING

Het door klager aangevallen citaat uit het artikel van betrokkene houdt een aantal zeer negatieve uitlatingen in over klager waarbij het niet alleen gaat om een negatieve mening maar ook om feiten. De Raad is van oordeel dat betrokkene onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager door hem niet in de gelegenheid te stellen op dit specifieke citaat commentaar te leveren. Het feit dat klager wel werd gehoord over de Exotazaak in het algemeen doet hieraan niet af.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in de Haagse Post wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 31 augustus 1990 door mr. P. J. Boukema, voorzitter. mr. T. Faber-de Heer. mr. L. van Vollenhoven, mr. D. T. Dalmolen en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten. secretaris.

RvdJ 1990, 12.