1990/11 deels gegrond

Chriet Titulaer tegen Woesthoff en HP

Per brief van 1 maart 1990 met drie bijlagen en aanvullende brieven van 14 maart en 2 april 1990 met een bijlage heeft Chriet Titulaer te Houten (klager) een klacht ingediend tegen Patricia Woesthoff en de hoofdredacteur van de Haagse Post (betrokkenen).
Patricia Woesthoff heeft op de klacht gereageerd in een brief van 6 maart 1990 met vijf bijlagen en een aanvullende brief van 11 mei 1990. Van de zijde van de Haagse Post werd op de klacht gereageerd in een brief van 7 mei 1990 van waarnemend hoofdredacteur Gijs van de Westelaken met een bijlage.
De klacht is behandeld ter zitting van de Raad van 21 augustus 1990.
Klager was in persoon aanwezig. Mevrouw Woesthoff had laten weten niet te zullen verschijnen. Van de zijde van de Haagse Post is evenmin iemand verschenen.

De feiten

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In de nazomer van 1989 heeft klager enkele gesprekken gevoerd met de journaliste Patricia Woesthoff over het Huis van de Toekomst met het oog op een artikel in het blad Quote. Het gaat hier om een project bestaand in een voor de toekomst ontworpen huis dat voorzien is van een groot aantal bouwkundige en technologische innovaties naar een idee van klager. Overeenkomstig de tussen klager en betrokkene Woesthoff gemaakte afspraak legde zij de tekst van het artikel voor publikatie aan klager voor. In een brief van 9 oktober 1989 heeft klager een aantal feitelijke onjuistheden trachten te corrigeren.
Vervolgens is onder de kop 'De streken van Chriet Titulaer B.V.' in de Haagse Post van 3 maart 1990 een nieuw, gedeeltelijk op hetzelfde materiaal gebaseerd, stuk verschenen zonder dat tussentijds overleg daarover met klager had plaatsgevonden. Dat artikel opent met de volgende passage.

'Het gezicht van Chriet Titulaer oogt tevreden als hij terugkijkt op zijn jongste prestatie, het Huis van de Toekomst. ( . . ) 'ledereen die mij wil imiteren, komt achteraan en zal mij nooit meer inhalen', reageert Titulaer zelfverzekerd op de soms vijandige reacties in 'zijn' Huis van de Toekomst, dat vorige~zomer door de toenmalige minister van VROM, Ed Nijpels, werd geopend.
'Het idee voor een Huis van de Toekomst heeft Chriet Titulaer ruimschoots van mij kunnen afkijken', beweert architect Dick Voorhaar, die reeds in 1981 een door EZ gesponsord idee voor een 'toekomsthuis' publiceerde; een huis van aluminium, waarin onder andere computertechnologie, satelietontvangst en zonneënergie een belangrijke plaats kregen toebedeeld. Het bewijs voor plagiaat is misschien moeilijk te leveren, maar als het aan Voorhaar ligt, zal dat zeker gebeuren. Zijn advocaat overweegt inmiddels juridische stappen'.

Na een beschrijving van het Huis van de Toekomst volgt de volgende passage.

''Chriet Titulaer was in 1981 aanwezig bij de opening van mijn Huis van de Toekomst in Amersfoort', moppert de geplaagde architect. 'Hij moest daar op mijn verzoek de toenmalige astronaut en gast James Inwin begeleiden. Chriet heeft toen alle plannen en tekeningen gezien. Titulaer ontkent echter halsstarrig dat hij deze architect ooit heeft ontmoet maar als Voorhaar een foto toont waarop hij en Titulaer samen staan afgebeeld, is er geen twijfel meer mogelijk' .

In de Haagse Post van 5 mei 1990 is in de rubriek voor ingezonden brieven onder de kop 'Rectificatie' een stuk geplaatst met correcties op het artikel van 3 maart 1990. Over de ontmoeting van klager met de architect Voorhaar omvat dit stuk de volgende tekst.

'In het artikel kwam de passage voor: 'Titulaer ontkent echter halsstarrig dat hij deze architect ooit heeft ontmoet - maar als Voorhaar een foto toont waarop hij en Titulaer samen staan afgebeeld, is er geen twijfel meer mogelijk'. Deze tekst is het gevolg van een misverstand dat klaarblijkelijk is ontstaan tussen Titulaer en de schrijfster van het artikel. In het gesprek is aan de orde geweest of Titulaer in het kader van het Huis van de Toekomst van Voorhaar had vernomen, hetgeen door Titulaer, bij herhaling, werd ontkend. Dientengevolge is bij de schrijfster van het artikel de onjuiste indruk ontstaan, dat Titulaer stelde Voorhaar niet te hebben ontmoet'.

De standpunten

De belangrijkste bezwaren van klager tegen de werkwijze van betrokkene Woesthoff zijn de volgende.
1. Het artikel is in een ander blad verschenen dan was afgesproken zonder dat dit vooraf met hem is besproken .
2. Aan de hem toegezonden tekst zijn nieuwe stukken toegevoegd, die onjuistheden bevatten en die, in strijd met de afspraak niet vooraf aan hem werden voorgelegd. Een voorbeeld daarvan is de kwestie van de ontmoeting met de architect Dick Voorhaar. Volgens klager heeft hij nooit gezegd dat hij Voorhaar nooit heeft ontmoet.
Dat is in tegendeel vaak het geval geweest. Wel heeft hij gezegd dat hij nimmer iets van Voorhaar heeft gehoord inzake de bouw van het Huis van de Toekomst in verband met mogelijk plagiaat.

Wat betreft de Haagse Post meent klager dat de redactie het artikel niet had mogen publiceren zonder controle van de feiten. De geplaatste rectificatie laat onverlet 'dat hij in het artikel voor leugenaar wordt uitgemaakt' .
Hij heeft zich alleen bij de rectificatie neergelegd omdat volgens door hem ingewonnen juridisch advies een kort geding af te raden was.
Betrokkene heeft erkend dat zij een gewijzigde versie van het artikel aan de Haagse Post heeft aangeboden zonder ruggespraak met klager. Het was haar bedoeling de tekst aan klager voor te leggen na goedkeuring daarvan door de redactie van de Haagse Post. Daartoe was met de Haagse Post afgesproken dat zij de eindversie van het artikel voor publikatie voorgelegd zou krijgen. Aan die afspraak heeft de Haagse Post zich niet gehouden. De redactie maakte een eigen selectie uit de tekst van Woesthoff en publiceerde die. Betrokkene Woesthoff meent dat haar daarvan geen verwijt kan worden gemaakt.

Het standpunt van de hoofdredacteur van de Haagse Post is dat door het plaatsen van de rectificatie de zaak is afgedaan.

Beoordeling

De klacht betreft de publikatie van een artikel in een ander blad dan was afgesproken en in zeer sterk gewijzigde vorm zonder dat de journaliste daarvoor aan klager toestemming vroeg en zonder dat de nieuwe tekst aan hem werd voorgelegd. Betrokkene Woesthoff heeft hierdoor onzorgvuldig gehandeld jegens klager. Haar beroep op de door haar met de redactie van de Haagse Post gemaakte afspraak gaat niet op. Het komt voor haar risico dat als gevolg van schending van die afspraak door de Haagse Post zij op haar beurt haar verplichtingen jegens klager niet kon nakomen. Dit klemt te meer nu zij aan de Haagse Post een tekst heeft aangeboden, die afwijkt van de met klager besproken versie zonder de aangebrachte wijzigingen en toevoegingen eerst aan klager voor te leggen.
Ten aanzien van de redactie van de Haagse Post overweegt de Raad het volgende.
Als onweersproken staat vast dat betrokkene Woesthoff de eindversie van haar artikel door de redactie voorgelegd zou krijgen. Door deze met betrokkene Woesthoff gemaakte afspraak te schenden heeft de redactie betrokkene Woesthoff de gelegenheid ontnomen overeenkomstig het door haar gestelde voornemen de eindversie te beoordelen en alsnog aan klager voor te leggen.

Daargelaten of de redactie niet had moeten begrijpen met welk doel bedoelde afspraak door Woesthoff werd gemaakt nam de redactie door deze werkwijze het risico dat de eindversie onjuistheden zou bevatten of anderszins te kort zou doen aan de belangen van klager. Hoewel een zorgvuldiger werkwijze de voorkeur had verdiend, betekent dit nog niet dat daarmee de grenzen zijn overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van de redactie maatschappelijk aanvaardbaar is. Dat achteraf op één punt een rectificatie is geplaatst heeft de Raad hierbij in aanmerking genomen.

Beslissing

De Raad acht de klacht jegens Patricia Woesthoff gegrond omdat zij zonder ruggespraak met klager een artikel waaraan hij zijn medewerking heeft verleend, heeft doen plaatsen in een ander blad dan was afgesproken en, in strijd met de daartoe gemaakte afspraak met klager, in gewijzigde vorm zonder de tekst daarvan tevoren aan klager te hebben voorgelegd.
Tegen de redactie van de Haagse Post acht de Raad de klacht ongegrond omdat de redactie door de boven aangegeven werkwijze nog niet de grenzen heeft overschreden van hetgeen gelet op haar journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 augustus 1990 door mr W. D. H. Asser, voorzitter, mr E. C. M. Jurgens, W. F. de Pagter, mr A. J. Heerma van Voss en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1990, 11.