1990/10 gegrond

ROBERT ROOZEMOND TEGEN VERMEULEN EN NRC-HANDELSBLAD

Bij klaagschrift van 4 april 1990 met één bijlage heeft mr. J. W. Dengerink namens Robert Roozemond te Den Haag (klager) een klacht ingediend tegen de journalist Joost Vermeulen en de hoofdredacteur van NRC-Handelsblad (betrokkenen). Betrokkenen hebben zich tegen de klacht verweerd door middel van een verweerschrift van 7 juni 1990 met zes bijlagen van mr. E. J. Dommering.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 21 augustus 1990. Klager was in persoon aanwezig met zijn advocaat mr. J. W. Dengerink. Namens betrokkenen is verschenen M. J. M. van Rooy, adjunct-hoofdredacteur NRC-Handelsblad met de advocaat mr. S. de Wit.

DE FEITEN

De raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad van 3 november 1989 is onder de kop 'Weerloze kloosters' met daarboven in kleinere letters 'diefstal en vernieling van kunst op Cyprus een artikel verschenen van Joost Vermeulen over de handel in gestolen kunstvoorwerpen afkomstig van het eiland Cyprus en met name van religieuze kunst zoals ikonen en mozaïeken uit kerken. Dit stuk bevat onder meer de volgende passages.

'De meeste kunstvoorwerpen verdwijnen via min of meer louche handelaren, waaronder zich trouwens ook een aantal Nederlanders bevindt, naar particuliere collecties'.
'De Lytrankomi-mozaïeken vormen een mooi voorbeeld van de manier waarop de handel in dit soort kunstvoorwerpen gaat.
Twee Nederlandse kunsthandelaren, Michel van Rijn en Robert Roozemond, zorgden er vervolgens voor dat de mozaïeken, die uit vier delen bestaan, via een Zwitserse tussenpersoon terecht kwamen bij Peggy Goldberg. Van Rijn en zijn partner hebben vermoedelijk ruim een half miljoen dollar betaald aan hun Turkse compagnon. Mevrouw Goldberg betaalde echter grif 1,2 miljoen dollar'.
'Zowel de in Duitsland wonende Dikmen als de Nederlanders Van Rijn en Roozemond zijn geen onbekenden in het wereld je van internationale handel in gestolen kunst. Zo zijn zij betrokken geweest bij de verkoop van een, naar achteraf blijkt, uit Griekenland gestolen, ikoon aan het British Museum in 1983. Roozemond is in Nederland in 1982 ook al eens veroordeeld wegens zwendel met ikonen'.

In het Cultureel Supplement van NRC-Handelsblad van 13 april 1990 is onder de kop 'Rectificatie' de volgende mededeling gepubliceerd .

'In het artikel over dubieuze handel in ikonen ('Weerloze kloosters; Cultureel Supplement, 3 november 1989) hebben wij gemeld dat de heer R. Roozemond veroordeeld is wegens zwendel in ikonen. Deze mededeling was onjuist. Dit spijt ons en wij bieden de heer Roozemond hiervoor onze verontschuldigingen aan'.

DE STANDPUNTEN

Klager voelt zich aangetast in zijn eer en goede naam omdat hij in een artikel over de handel in gestolen kunst er van beschuldigd wordt te behoren tot 'min of meer louche handelaren', er van beschuldigd wordt betrokken geweest te zijn bij de verkoop van de Lytrankomi-mozaïeken aan de Amerikaanse kunsthandelaar Peggy Goldberg, alsmede bij de verkoop van een uit Griekenland gestolen ikoon aan het British Museum. Deze beschuldigingen zijn ongegrond. Behalve schade aan zijn goede naam heeft het artikel ook materiele schade tot gevolg gehad door verstoring van belangrijke relaties, waaronder die met de Minister van Cultuur van Griekenland.
Klager erkent dat hij over de Lytrankomi-mozaïeken contact heeft gehad met Michel van Rijn. Dit gebeurde op initiatief van Van Rijn. Naar aanleiding daarvan stelde hij zich in verbinding met de bevoegde Cypriotische autoriteiten, die hem verzochten te proberen foto's van die mozaïeken in handen te krijgen. Dat is niet gelukt. Wel heeft hij aan de hand van de hem getoonde foto's een taxatie afgegeven. Met de verhandeling van de mozaïeken heeft hij echter niets te maken gehad .
Anders dan in het artikel wordt gesuggereerd is Van Rijn nimmer zijn zakelijke partner geweest. Wel heeft hij in het verleden met Van Rijn zaken gedaan. Dat geldt voor vele gerespecteerde Nederlanders in de tijd dat Van Rijn nog goed bekend stond. Net als bij andere zakelijk relaties werden alle kopen en verkopen op naam bijgehouden. Er is echter nooit een rekening-courantverhouding geweest ten behoeve van een samenwerkingsverband met Van Rijn.
Ook met de verhandeling van de in het artikel genoemde gestolen Griekse ikoon aan het British Museum heeft hij niets te maken gehad. Klager heeft verwezen naar ter zitting overgelegde verklaringen van twee aan het museum verbonden personen en met name naar die van Geoffry House van 26 april 1990. Daarin herroept deze dat de Griekse ikoon afkomstig is van klager. Zijn mededeling daarover in The Times van 2 juni 1989 was gebaseerd op de naar achteraf blijkt verkeerde veronderstelling dat de ikoon voorkomt in een catalogus van klager uit het jaar 1980.
Klager meent dat betrokkene Vermeulen voor publikatie van het artikel hem om commentaar had moeten vragen. De na de publikatie geplaatste rectificatie betreft slechts één onjuiste mededeling uit het artikel en is derhalve onvoldoende. Om die reden is hij noch vooraf noch achteraf met die rectificatie akkoord gegaan.

Betrokkenen hebben geantwoord dat de handel in ikonen mozaïeken e.d. per definitie verdacht is omdat het daarbij in bijna alle gevallen om onrechtmatig verkregen kunstvoorwerpen gaat. Om die reden kan in het algemeen gezegd worden dat handelaren in deze kunst louche zijn. Betrokkene heeft er op gewezen dat klager in deze passage van het artikel overigens niet met zoveel woorden wordt genoemd. De negatieve belichting van klager is gebaseerd op publikaties in Nederlandse kranten over het faillissement van de destijds in kasteel De Weijenburgh gevestigde Ikon Galleries B.V. waarvan klager directeur was en de vermoedens van de curator over zwendel met ikonen, het vonnis van het District Court van Indianapolis van 3 augustus 1989 gewezen tussen de bevoegde Cypriotische autoriteiten en de Amerikaanse kunsthandelaar Peggy Goldberg over de eigendom van de Lytrankomi-mozaïeken, artikelen in The Times en The Independent uit juni 1989 over de door het British Museum in 1983 gekochte Griekse ikoon die achteraf gestolen bleek en verschillende telefoongesprekken van betrokkene Vermeulen met o.a. Geoffry House van het British Museum en twee anoniem gehouden personen.
Uit het Amerikaanse vonnis blijkt dat handelaar Michel van Rijn als zeer verdacht wordt beschouwd. In het vonnis wordt melding gemaakt van de taxatie, die klager gaf van de Lytrankomi-mozaïeken. Vanuit de gedachte dat klager en Van Rijn zakelijk samenwerkten, wordt het afgeven van de taxatie door klager op verzoek van Van Rijn omschreven als 'zorgen voor'. Bedoeld is dat hierdoor de verhandeling in de Verenigde Staten is bevorderd.
De mededeling dat klager betrokken is geweest bij de verkoop van een gestolen Grieks ikoon aan het British Museum is ontleend aan bovengenoemd artikel in The Times van 2 juni 1989. Daarin wordt met zoveel woorden door Geoffry House, verbonden aan het British Museum, verklaard dat bij zijn weten genoemde ikoon afkomstig was van klager. House heeft de juistheid van het citaat in The Times desgevraagd telefonisch tegenover betrokkene Vermeulen bevestigd. Dat achteraf bij House twijfel is ontstaan, doet niet af aan het feit dat betrokkene bij het schrijven van zijn artikel op de geciteerde mededeling mocht afgaan.

De anoniem gehouden personen zijn een museumdeskundige en iemand uit de kunsthandel. Beiden hebben telefonisch tegenover betrokkene Vermeulen verklaard dat klager een negatieve reputatie geniet.

BEOORDELING

De aangevallen publikatie bevat een aantal ernstige beschuldigingen aan het adres van klager, die voor hem verstrekkende negatieve gevolgen kunnen hebben. De Raad is van oordeel dat betrokkene Vermeulen onder die omstandigheden klager in de gelegenheid had moeten stellen commentaar te geven alvorens tot publikatie over te gaan.
De Raad meent voorts dat de beschuldigingen niet voldoende gestaafd worden door de genoemde bronnen. Het feit dat klager een taxatierapport heeft afgegeven over de Lytrankomi-mozaïeken bewijst nog niet dat hij actief betrokken is geweest bij de verhandeling van deze mozaïeken. Dat blijkt evenmin uit het vonnis van het District Court of Indianapolis. In dat vonnis wordt het taxatierapport van klager slechts vermeld als ondersteuning voor de stelling dat kunsthandelaar Peggy Goldberg, gezien de veel lagere prijs dan in dat rapport vermeld waarvoor de mozaïeken aan haar werden aangeboden (lager ook in vergelijking met andere taxaties), niet te goeder trouw geweest kan zijn.
Ook het feit dat kunsthandelaar Michel van Rijn in dit vonnis als verdacht wordt beschouwd is onvoldoende om een actieve rol van klager bij de verhandeling van de mozaïeken aan te nemen nu voor een zakelijk partnership tussen beiden geen concrete ondersteunende feiten zijn aangedragen.
De gestelde betrokkenheid van klager bij de verkoop van een gestolen Grieks ikoon aan het British Museum is ontleend aan een bron, die klager juist in positieve zin noemt. Door aan bedoelde mededeling negatieve conclusies te verbinden zonder nader onderzoek, heeft betrokkene Vermeulen zich kennelijk laten leiden door het in zijn visie overige voor handen zijnde negatieve materiaal over klager, dit echter ten onrechte.
De anonieme bronnen waarop betrokkene zich beroept kunnen naar het oordeel van de Raad niet meewegen nu het daarbij gaat om in algemene termen gegeven opinies over klager en niet om concrete, nader verifieerbare feitelijke informatie.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond. Betrokkene Vermeulen heeft de grenzen overschreden van hetgeen gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is door in een artikel over de handel in gestolen kunst een aantal ernstige beschuldigingen te uiten jegens klager zonder klager in de gelegenheid te stellen voor publikatie daarop zijn commentaar te geven en zonder dat deze voldoende gesteund worden door de geraadpleegde bronnen.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in NRC-Handelsblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 augustus 1990 door mr. W. D. H. Asser, voorzitter, mr. E. C. M. Jurgens, W. F. de Pagter, mr. A. J. Heerma van Voss en drs. H. W. M. van Run, leden. in tegenwoordigheid van mr. A C. M. Karsten als secretaris.

RvdJ 1990, 10.