1989/9 ongegrond

E. C. TEGEN LIEVE JORIS

Bij brief van 9 mei 1988 met 2 bijlagen heeft mr. J. W. Munk, advocaat te Wezep, namens E. C. te Scheveningen (klager) een klacht ingediend tegen de journaliste Lieve Joris (betrokkene) wegens een artikel in de Haagse Post .
Bij brief van 16 augustus 1988 heeft betrokkene zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 31 maart 1989. Klager en zijn advocaat zijn niet verschenen. Betrokkene was in persoon aanwezig met als getuige J. Tychon, directeur van het Huis van Bewaring te Zwolle.

DE FEITEN

Klager heeft op 24 december 1986 een overval gepleegd opeen filiaal van de Bondsspaarbank te Deventer. Daarbij heeft hij twee werknemers van de bank ter dood gebracht. Op 11 december 1987 is de tegen hem ingestelde strafvervolging in hoger beroep behandeld door het gerechtshof te Arnhem, nadat hij eerder door de rechtbank te Arnhem tot levenslang was veroordeeld.
In de Haagse Post van 19 december 1987 is onder de titel 'De Kerstmoord' een artikel verschenen van betrokkene waarin zij uitvoerig verslag doet van de levensloop van klager. In de inleidende alinea wordt het artikel als volgt gekenschetst: 'Het spoor van de Bondsspaarbank in Deventer naar een Turks dorp: het leven van de verdachte Dogan, een gevangene tussen twee culturen'.
Ter voorbereiding van dit artikel heeft betrokkene twee gesprekken gevoerd met klager. Het eerste gesprek werd voor het grootste deel bijgewoond door de getuige Tychon. In zijn bijzijn overhandigde klager aan betrokkene een door hem bijgehouden dagboek. In het gepubliceerde artikel komen passages voor die aan het dagboek zijn ontleend zonder dat de herkomst is aangeduid .

DE KLACHT

Volgens klager heeft hij aan betrokkene het dagboek uitsluitend en alleen ter inzage gegeven om betrokkene achtergrondinformatie te verschaffen, echter onder het uitdrukkelijk beding 'niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de eigenaar'. Volgens klager is niet alleen de tekst van zijn dagboek zelf voorzien van deze clausule, maar is dit ook mondeling besproken. Betrokkene heeft de benodigde toestemming gevraagd, noch verkregen en heeft derhalve ten onrechte uit het dagboek gepubliceerd.

Betrokkene ontkent dat klager haar zijn dagboek ter beschikking stelde onder de voorwaarde dat daaruit niet gepubliceerd zou worden. De overhandiging vond plaats tijdens haar eerste gesprek met klager op 2 december 1987 in het bijzijn van de directeur van het Huis van Bewaring, de heer Tychon. Na lezing van het dagboek heeft betrokkene dit teruggestuurd. Zij hield kopieen achter van bepaalde stukken, waaronder de laatste bladzijde. De copyright-clausule waarop klager een beroep doet, stond niet vermeld op het aan haar overhandigde dagboek, zoals blijkt uit haar fotokopie van de laatste bladzijde. Volgens betrokkene is ook mondeling door klager geen voorbehoud gemaakt.

De getuige Tychon bevestigt dat bij de overhandiging van het dagboek door klager aan betrokkene in zijn bijzijn geen verbod tot publikatie werd besproken of overeengekomen. De getuige Tychon wijst erop dat op de voor de behandeling van de klacht aan de Raad toegezonden kopie te zien is dat de copyright-clausule met ander lint is getikt dan de rest van de tekst. De getuige kende het dagboek al omdat klager het eerder aanbood aan enige uitgevers voor publikatie en deze post hem in zijn functie van directeur passeerde. Volgens de heer Tychon was het dagboek pas van de copyright-clausule voorzien toen klager hem op 8 februari 1988 benaderde over de mogelijkheid juridische stappen te nemen tegen betrokkene.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen partijen een afspraak is gemaakt over het recht op publikatie uit het dagboek van klager en of die afspraak door betrokkene is geschonden. Voor de beantwoording van die vraag neemt de Raad het volgende in overwegmg.
1. De getuige Tychon was aanwezig bij het grootste deel van het eerste gesprek van klager met betrokkene en met name ook toen klager zijn dagboek aan betrokkene overhandigde. In het bijzijn van de getuige werd door klager geen voorbehoud over de publikatie gemaakt.
2. De getuige Tychon heeft even-als betrokkene verklaard dat de copyright-clausule aanvankelijk niet in het dagboek was opgenomen en dat deze daarin bij zijn weten pas voorkwam na het verschijnen van het artikel van betrokkene.
3. Klager heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid ter zitting te verschijnen hoewel deze juist om dat mogelijk te maken gehouden werd in het Paleis van Justitie te Den Haag. Hij heeft evenmin zijn raadsman gemachtigd namens hem het woord te voeren.
Op grond van het voorgaande staat voor de Raad vast dat de overeenkomst als door klager gesteld niet is gemaakt, zodat van schending daarvan door betrokkene geen sprake kan zijn.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in de Haagse Post .

Aldus vastgesteld ter zitting va de Raad van 31 maart 1989 door mr. P. J. Boukema, voorzitter, mr T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, mr. F. Kuitenbrouwer en mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten. secretaris.

RvdJ 1989, 9.