1989/23 niet-ontvankelijk ongegrond

E. VAN KAN TEGEN R. HENDRIKS, J. BONJER, P. KOTTMAN, W. WOLTZ EN DE NDU BV

Bij brief van 27 juli 1989 met 2 bijlagen heeft mr. B. J. Lievense, advocaat te Amsterdam, namens E. H. van Kan te Enkhuizen een klacht ingediend tegen Ruud Hendriks, voormalig presentator van Veronica's Nieuwslijn, de journalisten Jan Bonjer en Pieter Kottman, hoofdredacteur van NRC Handelsblad W. Woltz en de Nederlandse Dagbladunie BV als uitgeefster van NRC Handelsblad (betrokkenen).
Betrokkene Woltz heeft bij brief van 30 augustus 1989 met 1 bijlage mede namens de journalisten Bonjer en Kottman op de klacht gereageerd. Zijdens betrokkene Hendriks is op de klacht gereageerd bij brief van 25 augustus 1989 met 5 bijlagen van Veronica Omroeporganisatie, toenmalige werkgeefster van betrokkene Hendriks.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 11 december 1989. Klager is in persoon verschenen samen met zijn advocaat mevrouw mr. B. J. Lievense. Als vertegenwoordiger van Veronica is mede namens betrokkene Hendriks verschenen mevrouw mr. drs. W. van Rossum-van den Brink. Zijdens NRC Handelsblad is verschenen P. Kottman.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In NRC Handelsblad van 11 februari 1989 is onder de titel 'Scoren'! een artikel verschenen van de hand van Jan Bonjer en Pieter Kottman over het 'reconstrueren' en 'ensceneren' van nieuwsfeiten. Het artikel doet verslag van een rondgang langs een aantal journalisten die actualiteiten-rubrieken voor de televisie verzorgen. Als zodanig wordt van de zijde van Veronica's Nieuwslijn aan het woord gelaten Ruud Hendriks. Over het gesprek met hem bevat het artikel de volgende passage.

'Hendriks ziet ook anderszins geen been in deze aanpak (gedoeld wordt op toelichtende ensceneringen - RvdJ). De vergelijking met de groep Zuid-Molukkers die in 1975 op verzoek van Tros Aktua paramilitaire oefeningen hield op de Veluwe ter adstructie van dreigend terroristisch gevaar, is naar zijn mening ongegrond. 'We komen allemaal wel eens in de verleiding om op de Hoge Veluwe te roepen dat we in Taiwan zijn, zoals Ed van Kan eens gedaan heeft, maar in die Groningse moordzaak was het duidelijk dat het om een visualisering ging. Ons medium stelt nu eenmaal specifieke eisen, we moeten beelden hebben en in onze ijver die te bemachtigen balanceren we dikwijls op de rand van de afgrond'.'

DE STANDPUNTEN

Door deze laatste uitlating van Ruud Hendriks voelt klager zich aangetast in zijn eer en goede naam. Diens mededeling berust niet op waarheid. Klager benadrukt dat hij zich nimmer aan een dergelijke wijze van nieuwsverslaggeving heeft schuldig gemaakt. Klager meent dat de schrijvers van het artikel Bonjer en Kottman de mededeling van Hendriks niet zonder meer hadden mogen weergeven in het artikel. Zij hadden de juistheid bij klager moeten verifiëren. Door het niet geverifieerde citaat is de geloofwaardigheid van klager ondermijnd. Klager illustreert dit aan de hand van zijn contacten over de uitgave van een manuscript van zijn hand.

Van de zijde van Veronica is namens Ruud Hendriks gesteld dat de mededeling over Van Kan in de wereld van de media een lopend, algemeen bekend gerucht is. Dat laatste is in het gesprek met de schrijvers van het artikel erbij vermeld.
Betrokkene Kottman ontkent dit. Volgens Kottman heeft Ruud Hendriks de mededeling over Van Kan gedaan zoals deze in het artikel is weergegeven en dus zonder de toevoeging dat het hier om een gerucht zou gaan.
Betrokkene Kottman meent dat de schrijvers op Hendriks mochten afgaan en dat het niet nodig was de juistheid van de mededeling bij Van Kan te verifiëren. Hendriks is immers zelf journalist en kan dus de implicaties van mededelingen over een derde aan een journalist overzien. Volgens betrokkene Kottman zou verificatie bij klager slechts geleid kunnen hebben tot het opnemen van een aanvullende mededeling als 'Overigens wordt dit door Van Kan ontkend'. Indien Van Kan was ingegaan op het aanbod van de hoofdredacteur een ingezonden brief met die inhoud op te nemen zou hetzelfde effect bereikt zijn. Klager heeft echter van dat aanbod geen gebruik gemaakt.

BEOORDELING

Voorzover de klacht zich richt tegen de Nederlandse Dagbladunie BV en Ruud Hendriks verklaart de Raad deze niet ontvankelijk. Ingevolge de statuten beperkt de taak van de Raad zich tot het beoordelen van klachten tegen journalisten. De Nederlandse Dagbladunie BV is uitgeefster van een krant en geen journalist. Hendriks is weliswaar van beroep journalist, in de onderhavige klacht is hij naar het oordeel van de Raad echter niet als zodanig betrokken maar slechts als een in de wereld van de media goed ingevoerde zegsman.

Het oordeel van de Raad zal zich derhalve beperken tot het handelen in dezen van de journalisten Bonjer en Kottman en hun hoofdredacteur Woltz.

De Raad heeft niet kunnen vaststellen of Hendriks bij het doen van zijn uitlating over klager vermeld heeft dat het om een lopend gerucht zou gaan. Ook als wordt aangenomen dat Hendriks de uitlating zonder nadere uitleg heeft gedaan, hebben Kottman en Bonjer niet onzorgvuldig gehandeld jegens klager door de juistheid niet te verifiëren (al zou dit wellicht wel de voorkeur verdiend hebben), gelet op de omstandigheden dat de mededeling afkomstig is van een zegsman, die zelf journalist is en goed bekend is in de wereld van de media. Bovendien heeft de mededeling een anecdotisch karakter en is zij in het gehele artikel als een terzijde slechts van ondergeschikte betekenis. Tenslotte blijkt de hoofdredactie van NRC Handelsblad bereid te zijn geweest een ingezonden brief van klager, bij wijze van weerwoord, te plaatsen.

BESLISSING

De Raad verklaart de klacht tegen R. Hendriks en De Nederlandse Dagbladunie BV niet ontvankelijk en voor het overige niet gegrond.

De Raad verzoekt betrokkene Woltz, hoofdredacteur van NRC Handelsblad, deze beslissing integraal of in samenvatting in deze krant te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 11 december 1989 door Mr. P. J. Boukema, voorzitter, Mr. E. C. M. Jurgens, J. de Vries, Drs. H. W. M. van Run en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1989, 23.