1989/21 gegrond

G. J. H. LAMERS TEGEN A. J. M. BRONS EN M. BONGERS

Bij brief van 5 juni 1989 en aanvullende brief van 3 augustus 1989 met in totaal 6 bijlagen heeft G. J. H. Lammers te Huissen (klager) een klacht ingediend tegen de journalisten A. J. M. Brons en M Bongers, verbonden aan het dagblad De Gelderlander (betrokkenen). Bij brief van 28 september 1989 heeft H. J. Kuyt, hoofdredacteur van De Gelderlander, op de klacht gereageerd. De klacht is behandeld ter zitting van de Raad van 11 november 1989. Klager was in persoon aanwezig. Namens betrokkenen verscheen hun hoofdredacteur H. J. Kuyt.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde zitting uit van de volgende feiten. In De Gelderlander van 15 oktober 1988 is onder de kop 'Klachtenregen bij dierenbescherming over Lako-kennel' en de tussen aanhalingstekens gestelde kop 'Gesjoemel met honden', een artikel verschenen over de door klager en zijn echtgenote onder de naam Lako in Huissen gedreven hondenkennel. Bij het artikel is een foto van de kennel afgedrukt met als bijschrift 'Hondenkennel Lako in Huissen, waarover het klachten regent bij de dierenbescherming' .
Het artikel opent met de volgende alinea.

'De dierenbescherming wordt de laatste weken overspoeld met klachten over de hondenkennel Lako in Huissen. Volgens woordvoerster mevrouw Pappenheim wordt er 'gesjoemeld met de dieren' en verkeren ze vaak in een slechte conditie'. Na de weergave van aanvullende informatie van woordvoerster Pappenheim over de gang van zaken bij Lako komt aan het woord een Betuwse dierenarts in de volgende passage. 'Een Betuwse dierenarts, die liever niet met naam en toenaam genoemd wil worden, bevestigt dat. 'Er zijn mensen bij me geweest met doodzieke honden van Lako. Zo was een van de honden veel te vroeg uit het nest gehaald. Andere honden waren op een veel te jonge leeftijd ingeënt en stierven daarom'.'

Na een citaat van genoemde dierenarts over het gevaar van het uitbreken van de dierenziekte Parvo in de kennel, wordt een klant van de kennel aan het woord gelaten in de volgende passage.

'Mevrouw Westbroek uit Bemmel is een van de gedupeerden. Zij zegt: 'In goed vertrouwen kocht ik bij Lako een kruising tussen een Chow-chow en een Keeshond. Volgens Lammers was het dier acht weken oud. Al gauw bleek dat de hond ernstig ziek was. ( . . .)'.' Volgens het artikel heeft genoemde mevrouw Westbroek in plaats van de ondanks medische behandeling toch aan Parvo gestorven hond, op uitnodiging van klager bij Lako een andere hond uitgezocht. Bij het inenten bleek volgens het artikel dat deze hond pas vier en een halve week oud was.
In het artikel komen vervolgens aan het woord de echtgenote van klager, de inspecteur van de dierenbescherming Muller, de dierenarts Verbeek en woordvoerder Wannijn van de Landelijke Inspectie Dierenbescherming in de volgende passages. 'Mevrouw Lammers van Lako ontkent alle verwijten. 'Ik sta van deze verhalen echt te kijken. Wij verkopen nooit en te nimmer puppies die jonger zijn dan acht weken. Ik denk dat er fouten gemaakt zijn bij de invulling van het paspoort. Ik heb er geen andere verklaring voor'. 'Maar ik snap werkelijk niet waar al die geruchten op berusten. Al tien jaar hebben wij een hondenkennel en we hebben nog nooit een proces aan de broek gehad. Er komt zeer regelmatig een inspecteur van de dierenbescherming kijken en die is altijd zeer tevreden over onze kennel. ( . . .)'.'
'De desbetreffende inspecteur, meneer Muller, zegt inderdaad zeer tevreden te zijn over Lako: 'Een nette hondenkennel, waar ik nog nooit misstanden heb ontdekt. Volgens mij verkopen ze ook geen puppies van om-en-nabij de vijf weken. Dan had ik dat zeker moeten ontdekken'.'
'Volgens de dierenarts van Lako, meneer Verbeek van dierenartsen praktijk Elst, verkeren de honden bij Lako over het algemeen in goede staat. Hij bekent echter: 'Ik ent de puppies altijd voor hondeziekte en Parvo in. Dat doe ik als de beestjes zes weken oud zijn. De gemiddelde leeftijd van de dieren bij Lako is ook zes weken. De conclusie is dus juist dat er ook jongere puppies bij Lako zijn'.'
'De heer Wannijn van deze organisatie zegt dan ook: 'Wat er bij Lako gebeurt kan absoluut niet door de beugel. We zullen ons er eens over moeten buigen om een diepgravend onderzoek in te stellen'.'

In De Gelderlander van 5 november 1988 is op last van de President van de rechtbank te Arnhem een bericht opgenomen waarin wordt meegedeeld dat naar het oordeel van de President, volgens zijn vonnis in kort geding van 3 november 1988, het artikel over Lako onrechtmatig is omdat niet aannemelijk is gemaakt dat Lako 'sjoemelt met honden' en dat de dierenbescherming in verband daarmee overspoeld wordt met klachten over de kennel.

DE STANDPUNTEN

Klager heeft zijn bezwaren over de publikatie in zijn klacht bij de Raad toegespitst op het volgende.
1. Betrokkenen hebben onvoldoende bronnenonderzoek gedaan en zijn afgegaan op ondeugdelijke bronnen.
2. Vrijwel alle informanten zijn verkeerd geciteerd.
De Raad vat de toelichting op deze bezwaren samen als volgt. De in het artikel als woordvoerster van de dierenbescherming genoemde mevrouw Pappenheim onderhoudt als vrijwilligster een klachtentelefoon over dierenmishandeling. De afspraak is dat zij alle klachten doorgeeft aan de dierenbescherming. Betrokkenen zijn er voor het verschijnen van het artikel door inspecteur Muller van de dierenbescherming op gewezen dat hij van mevrouw Pappenheim nimmer een klacht over de kennel van klager heeft doorgekregen en dat hij ook overigens slechts sporadisch klachten over de kennel krijgt.

Zoals bij de behandeling van het kort geding is vastgesteld heeft mevrouw Pappenheim nooit gesproken over een 'klachtenregen' en gebruikte zij ook niet het woord 'gesjoemel'. Met de 'Betuwse dierenarts' wordt bedoeld dokter Nas, die verklaard heeft dat hij verkeerd is geciteerd en dat hij betrokkenen slechts heeft meegedeeld eenmaal een ernstig zieke hond afkomstig van Lako te hebben behandeld, namelijk de hond van de in het artikel genoemde mevrouw Westbroek. Hij heeft ontkend de overige geciteerde mededelingen te hebben gedaan. Voorts is bij de behandeling van het kort geding vastgesteld dat dierenarts Verbeek en woordvoerder Wannijn verkeerd zijn geciteerd.
Zijdens betrokkenen is erkend dat inspecteur Muller van de dierenbescherming geprobeerd heeft verslaggever Bongers ervan te overtuigen dat aan de woorden van mevrouw Pappenheim weinig tot geen waarde gehecht mocht worden. Naast de informatie van de gedupeerde mevrouw Westbroek beschikten betrokkenen echter volgens hun zeggen over zoveel andere informatie (ook uit niet gepubliceerde bronnen) dat toch tot publikatie is besloten. Volgens betrokkenen zijn een aantal informanten op hun mededelingen teruggekomen onder druk van het echtpaar Lammers.
Hoofdredacteur Kuyt deelt mee dat betrokkenen handhaven dat de informanten juist zijn geciteerd. De hoofdredacteur acht het echter niet uitgesloten dat hetgeen woordvoerder Wannijn als positieve mededeling in de mond wordt gelegd niet meer is geweest dan een algemene afkeuring van veronderstelde slechte praktijken.

BEOORDELING

Naar aanleiding van negatieve berichten van de in het artikel genoemde mevrouw Westbroek over de kennel van klager hebhen betrokkenen mogelijke misstanden bij deze kennel aan het licht willen brengen. Het artikel wekt de indruk of het bestaan van die misstanden bevestigd wordt door een woordvoerster van de dierenbescherming, mevrouw Pappenheim, een in het artikel niet met zijn naam aangeduide Betuwse dierenarts en woordvoerder Wannijn van de Landelijke Inspectie Dierenbescherming in Hilversum.

Met betrekking tot mevrouw Pappenheim geldt echter dat betrokkenen voor de publikatie gewaarschuwd werden aangaande de geloofwaardigheid van deze informante door inspecteur Muller, de officiële vertegenwoordiger van de plaatselijke dierenbescherming.
Op grond van hetgeen bij de behandeling van het kort geding over deze zaak is vastgesteld acht de Raad het aannemelijk dat de Betuwse dierenarts verkeerd is geciteerd. Met betrekking tot het citaat van woordvoerder Wannijn, overweegt de Raad dat het niet aannemelijk is dat deze in Hilversum gevestigde woordvoerder uit eigen wetenschap op de hoogte was van de gang van zaken bij de in de Betuwe gelegen kennel van klager, zodat zijn negatieve oordeel slechts een reactie kan zijn op door betrokkenen zelf gepresenteerde feiten.

Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot het oordeel dat betrokkenen onzorgvuldig te werk zijn gegaan bij het gebruik van hun bronnen. De negatieve berichtgeving wordt niet gesteund door de verkregen informatie. Voorzover die informatie negatief was, hebben betrokkenen deze onvoldoende getoetst aan de hand van de positieve informatie. Ten onrechte hebben betrokkenen daarmee niet meer gedaan dan deze in het artikel opnemen.

Betrokkenen hebben eveneens onzorgvuldig gehandeld door onjuist te citeren. De woorden 'vele klachten' hadden betrokkenen niet mogen weergeven door 'klachtenregen' nu door betrokkenen geen navraag werd gedaan naar het aantal van die klachten.

BESLISSING

Betrokkenen hebben onzorgvuldig gehandeld jegens klager door een sterk negatief artikel over de kennel van klager te baseren op in feite slechts één concrete in dat artikel genoemde klacht en voor het overige op bronnen, die onjuist geciteerd zijn of ten onrechte als gezaghebbend zijn beschouwd zonder de informatie van positieve bronnen daarmee in verband te brengen of in de uit die bronnen ontvangen informatie aanleiding te zien het onderzoek naar andere bronnen uit te breiden.

De Raad verzoekt betrokkenen te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in De Gelderlander.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 11 november 1989 door Mr. P. J. Boukema, voorzitter, W. F. de Pagter, Mr. G. Dullens, Mr. A. J. Heerma van Voss en J. M. P. J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1989, 21.