1989/2 ongegrond

 

X TEGEN TIJS STRIJBOS

Bij brief van 5 oktober 1988 met 3 bijlagen en aanvullende brief van 7 november 1988 heeft X te Weert (klager) een klacht ingediend tegen Tijs Strijbos, redacteur van De Limburger (betrokkene). Bij brief van 22 november 1988 heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 9 januari 1989. Partijen waren in persoon aanwezig.

 

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager is voorzitter en medeoprichter van het begin 1987 heropgerichte Weerter Schuttersgilde 'Sinte Catharina 1480'. In het bestuur zijn moeilijkheden ontstaan waarover betrokkene in De Limburger van 30 augustus 1988 een artikel heeft geschreven onder de kop 'Haalt Weerter Stadsschutterij het jaar 1990?'. Daarboven in kleinere letters 'Bestuurscrisis teistert heropgericht gilde'. In dit artikel komt na een inleiding onder het kopje 'Minachting' de volgende passage voor.

'Centraal in het bestuursconflict staat de mede-oprichter en voorzitter of 'deecken van het gilde', de 49-jarige (X), direkteur van het Centrum Vakopleiding voor Volwassenen in Venlo. De afgetreden bestuursleden Frits Weerts, Karel Kurstjens en Vincent van den Berg verwijten hem eigengereidheid, dictatoriaal optreden en minachting van de democratische spelregels die in een vereniging gelden. Bovendien wordt (X) ervan beschuldigd dat hij het aanzien van de vereniging schade berokkent door een al te hartelijke relatie met de echtgenote van Weerts'. In het artikel komen vervolgens aan het woord de afgetreden bestuursleden Weerts, Kurstjens en Van den Berg met een toelichting op hun standpunt. Na een beschrijving van de vergadering waarin deze laatste drie bestuursleden zijn afgetreden volgt onder het kopje 'Dupe' de volgende passage.
'En de 'deecken', wat zegt hij zelf van de tegen hem aangevoerde verwijten? Zeven pogingen om hem aan het spreken te krijgen lijden schipbreuk. Aanvankelijk heeft hij een plausibele reden om gemaakte afspraken voor een interview af te zeggen. Maar een belofte om daarna zelf een nieuwe afspraak te arrangeren komt hij niet na. Ook contacten met huize (X) en met zijn werk adres ('Hij zal terugbellen') leveren geen resultaat op. Zodat de geïnteresseerde is aangewezen op schriftelijke uitspraken van (X) of zijn medebestuurders, die terug te vinden zijn in de correspondentie gedurende de tumultueuze bestuursperiode van de afgelopen tijd.'

'Ik werd de dupe van mijn inzet voor het vinden van oplossingen voor de situatie of de oorzaak daarvan', zo weerlegt hij in een brief van 11 februari aan 'ut generaol' de beschuldiging van een intolerabele relatie met de vrouw van een mede-bestuurslid. Over zijn bekritiseerd functioneren binnen het bestuur valt minder concreets te lezen. In een op 10 juli gedateerd schrijven van het bestuur aan alle leden en sympathisanten luidt het: 'dat de aangedragen zaken ofwel op onwaarheid berustten danwel uit de lucht waren gegrepen, en op terreinen betrekking hadden waar de vereniging geen enkele boodschap aan heeft'. Einde citaat'.

Hierna volgt onder het kopje 'Voorstel' de volgende slotpassage.

'Wie heeft het gelijk aan zijn zijde? De circa 70 leden van de stadsschutterij krijgen al snel de gelegenheid om zich daarover uit te spreken, want aanstaande vrijdag wordt een algemene ledenvergadering gehouden. Het bestuur heeft beloofd dat 'een en ander uitgebreid aan de orde zal worden gesteld'.

In De Limburger van 3 september is in een vervolgartikel meegedeeld dat de algemene ledenvergadering van vrijdag 2 september 1988 tot de conclusie is gekomen dat de aan de voorzitter gemaakte verwijten geen enkel aanknopingspunt boden voor een motie van wantrouwen t.o.v. het bestuur. 'Er moet maar gauw een dikke streep onder de bestuurscrisis worden gezet', vonden de leden'.

 

 

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager neemt het betrokkene kwalijk dat hij tot publikatie is overgegaan zonder eerst klager te horen. Door het overlijden van zijn vader op 17 augustus 1988 heeft hij de voor 18 augustus gemaakte afspraak verzet naar 23 augustus. Later heeft hij ook die afspraak moeten afzeggen met de toezegging binnen een week met betrokkene contact op te nemen. Toen hij dat op dinsdag 30 augustus deed, bleek het artikel al gepubliceerd te zijn. In het artikel worden aantijgingen, beschuldigingen en insinuaties verwoord die de journalist bij de betrokkenen had behoren te verifiëren. Klager en het schuttersgilde zijn volgens hem door de publikatie geschaad.
Overbodig acht klager het dat het artikel zijn beroep vermeldt. Betrokkene had niet mogen putten uit de briefwisseling met het bestuur aangezien de inhoud een vertrouwelijk karakter had. Dat de beschuldigingen van de exbestuursleden onterecht zijn, blijkt wel uit het feit dat deze in de ledenvergadering van 2 september 1988 van de tafel zijn geveegd.
Betrokkene heeft geantwoord dat de crisis in het bestuur van het schuttersgilde in Weert zeer veel beroering heeft gewekt zodat een publikatie daarover van groot belang was om de lezers te informeren. Hij kwam in het bezit van een aantal schriftelijke stukken, die in ruime kring circuleerden. Naar aanleiding daarvan hoorde hij de drie ex-bestuursleden. Zoals in het artikel staat aangegeven deed hij vervolgens vele pogingen om ook klager te horen. Klager wist dat hij ruim voor de ledenvergadering van 2 september een artikel wilde doen verschijnen. Betrokkene meent dat het aan klagers eigen gedrag te wijten is dat er geen gesprek over de zaak plaatsvond. Om toch tot een zo evenwichtig mogelijk artikel te komen, heeft betrokkene geput uit schriftelijke stukken om het standpunt van klager weer te geven.
Tenslotte, aan het einde van het artikel is in het midden gelaten aan wiens zijde het gelijk ligt.

 

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad acht het aannemelijk dat betrokkene Strijbos voldoende pogingen heeft gedaan om een gesprek met klager te arrangeren. Toen dit niet tot resultaat leidde, heeft betrokkene zoveel als in de gegeven omstandigheden mogelijk was recht gedaan aan he~ standpunt van klager door het opnemen van een citaat uit een brief van klager. Bovendien heeft betrokkene in het midden gelaten wie gelijk heeft.
De enkele mogelijkheid dat de publikatie klager en/of het schuttersgilde zou schaden behoefde betrokkene niet te weerhouden tot publikatie over te gaan.
Het vermelden van het beroep van klager acht de Raad functioneel omdat de lezer hierdoor de mogelijkheid krijgt zich een beeld te vormen over de persoon van klager. Voor de beschrijving van het bestuursconflict was het noodzakelijk de beschuldigingen aan het adres van klager van de drie ex-bestuursleden in het artikel weer te geven. Er was geen reden voor betrokkene zich daarvan te onthouden evenmin als van het citeren uit de gewisselde correspondentie.

 

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene niet onzorgvuldig heeft gehandeld jegens klager door zijn artikel over de crisis in het bestuur waarvan klager voorzitter is te publiceren en het vermelden van de tegen klager gerezen bezwaren zonder klager te horen, daar aannemelijk is dat betrokkene voldoende pogingen in het werk heeft gesteld klager voor commentaar te bereiken, terwijl betrokkene anderzijds voldoende bronnen had waarop hij ook zonder klager te horen mocht afgaan.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in De Limburger.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 9 januari 1989 door mr. P. J. Boukema, voorzitter, mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, drs. H. W. M. van Run en K. Wiese, leden in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

 

RvdJ 1989, 2.