1989/18 ongegrond

J. B. L. van den Udenhout tegen het Brabants Dagblad

Per brief van 2 juli 1989 met zes bijlagen heeft J.B.L. van den Udenhout te 's Hertogenbosch (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Brabants Dagblad (betrokkene). Per brief van 23 augustus 1989 heeft B. Brummelhuis, waarnemend hoofdredacteur van het Brabants Dagblad, op de klacht geantwoord.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 1989. Klager was in persoon aanwezig Namens betrokkene zijn verschenen B. Brummelhuis en J. F. G. Spijkers, chef sportredactie.

DE FEITEN

Klager is een bekende figuur uit het openbare leven van 's Hertogenbosch. Hij is penningmeester geweest van de Nederlandse IJshockybond (NIJB). In 1985 is door het ministerie van WVC een onderzoek ingesteld naar de gang van zaken rond subsidieaanvragen door de NIJB. Dit onderzoek heeft geleid tot de strafrechtelijke vervolging van een aantal vroegere bestuurders van de bond waaronder klager. Naar aanleiding van de dagvaarding van klager en twee andere bestuursleden voor de zitting van de rechtbank te Den Haag van 2 maart 1989 verscheen in het Brabants Dagblad van 25 februari onder het kopje 'Oud-voorzitter ijshockybond voor de rechter' een bericht met de volgende passage.

'Ook oud-penningmeester Jan van den Udenhout uit Den Bosch moet zich daarvoor (valse subsidie-aanvraag - RvdJ) voor de rechtbank verantwoorden. Van den Udenhout tevens oud-voorzitter van de IJshockystichting in Den Bosch, droeg van 31 oktober 1983 tot en met 30 oktober 1985 als penningmeester van de Nederlandse IJshockybond verantwoordelijkheid voor de opgestelde valse jaarrekening'.
In het Brabants Dagblad van 3 maart 1989 is onder de in vette letters gestelde kop 'Boete geƫist tegen Van den Udenhout' een verslag gepubliceerd van de zitting. Het verslag opent met de volgende passage.
'De voormalige vice-voorzitter van de Nederlandse IJshockybond J. van den Udenhout (68) uit Den Bosch, hoorde gistere voor de rechtbank in Den Haag een boete van 5000 gulden en zes maanden voorwaardelijke gevangenisstraf tegen zich eisen Hij wordt verdacht van het indienen van valse subsidie-aanvragen. De 67-jarige J. van Rijswijl uit Tilburg, de vroegere directeur van het bondsbureau, hoorde een boete van 10 mille en een jaar voorwaardelijk tegen zich eisen'.
Ten aanzien van klager bevat het bericht overigens de volgende passages.

'Van den Udenhout, ooit vice voorzitter van de bond en na een lange afwezigheid penningmees ter, zou subsidie-aanvragen hebben ingediend die door het bovengenoemde 'schuiven met posten' als vals moeten worder beschouwd'.
'Van den Udenhout bracht naar voren dat hij slechts penning meester tegen wil en dank was. Hij zou onder druk zijn gezet, omdat er niemand anders beschikbaar was. Hij ondertekende
de subsidie-aanvragen zonder ze te lezen, want hij zou ze 'toch niet hebben begrepen'. Uitspraak 16 maart'.

In het Brabants Dagblad van 17 maart 1989 is onder een in vette letters gestelde kopje 'Van den Udenhout treft geen schuld' een bericht gepubliceerd dat opent met de volgende passage.

'Oud-penningmeester Jan van den Udenhout van de Nederlandse IJshockybond (NIJB) is gisteren door de rechtbank in Den Haag geheel vrijgesproken van het hem ten laste gelegde ten aanzien van destijds ingediende subsidie-aanvragen bij de Stichting Nederlandse Sporttotalisator (SNS)'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het bezwaar van klager is dat in het bericht van 3 maart 1989 zijn naam voluit is gebruikt 'en wel met de grootste letters die ze waarschijnlijk in de drukkerij hadden'. Het bericht heeft hierdoor onnodig sterk de aandacht gevestigd op zijn persoon terwijl al tijdens de zitting bleek dat de beschuldigingen aan zijn adres niet houdbaar waren. Sinds 1978 is hij slechts penningmeester geweest van oktober 1983 tot 1985 en in die tijd werden slechts twee subsidie-aanvragen door hem getekend waarbij hij in goed vertrouwen afging op de directeur. Omdat hij in Den Bosch een bekende figuur is heeft de negatieve publiciteit hem en zijn gezin veel schade berokkend. Dat zou veel minder geweest zijn wanneer hij alleen met zijn functie was aangeduid. Klager neemt het betrokkene bovendien kwalijk dat de krant niets gedaan heeft om hem te rehabiliteren. Volgens klager werden daarvoor wel toezeggingen gedaan. Het bericht over de vrijspraak acht hij in dit opzicht onvoldoende omdat dit naar zijn mening klein en onopvallend was.

Betrokkene heeft naar voren gebracht dat er over de onregelmatigheden bij de ijshockybond in de Nederlandse pers in het algemeen en ook in het Brabants Dagblad veel publiciteit is geweest. Daarbij zijn herhaaldelijk de namen van (ex-)bestuursleden genoemd, zoals ook in het bericht van 25 februari 1989 over de komende rechtszitting. 'Het kwam ons hypocriet en weinig consequent voor in het verslag over de zaak af te zien van de vermelding van de namen van de betrokkenen, te meer daar het hier om 'functionele' misdragingen ging.
De naam van Van den Udenhout en de andere terechtstaande personen is ook vermeld om te voorkomen dat de buitenwacht - en in de Bossche regio is ijshocky zeer populair - andere niet bij de zaak betrokken (ex-)bestuursleden van de ijshockybond met de affaire in verband brengt'. 'Wat niet wegneemt dat ook wij vinden dat de kop boven het verslag nogal fors is uitgevallen'.
Betrokkene meent dat overigens aan de positie van klager recht is gedaan door de vermelding van de vrijspraak waarbij zijn naam eveneens in de kop is vermeld. Betrokkene ontkent dat aan klager de toezegging is gedaan voor een rehabiliterend artikel. Wel heeft een redacteur van de sportredactie met klager een gesprek gehad om de mogelijkheid van een achtergrondartikel te onderzoeken met name over de vraag of amateurs in deze tijd nog wel als penningmeester van sportorganisaties kunnen optreden. Om beleidsredenen heeft de redactie van een dergelijk artikel afgezien.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad beschouwt als kern van de klacht dat klager in een opvallende kop met vette letters met zijn volle naam is genoemd als verdachte van een strafbaar feit. Gezien het feit dat klager als oudpenningmeester van de ijshockybond bekend is en in die functie al eerder met zijn volle naam in de publiciteit is geweest onder andere in het bericht van het Brabants Dagblad van 25 februari 1989 meent de Raad dat betrokkene niet onzorgvuldig gehandeld heeft door klager in het bericht over de strafzitting eveneens met name te noemen nu het ging om gedragingen in voormelde functie. Met klager is de Raad van oordeel dat de kop waarin de naam voorkomt erg opvallend is gezet. Dit is door betrokkene zelf ook toegegeven. De Raad meent dat hierdoor nog niet de grenzen zijn overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van betrokkene maatschappelijk aanvaardbaar is. De Raad overweegt daarbij dat in het bericht over de vrijspraak, zij het in kleinere letters, de naam van betrokkene eveneens voorkomt in de kop.

De Raad heeft niet kunnen vaststellen of aan klager een toezegging is gedaan voor een rehabiliterend artikel. Over dit onderdeel van de klacht kan de Raad derhalve geen oordeel geven.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 oktober 1989 door Mr. W. D. H. Asser, voorzitter, D. F . Houwaart, J . L. de Troye, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten secretaris.

RvdJ 1989, 18.