1989/15 gegrond

Zegwaard B.V. tegen het NOS-Journaal

Per brief van 17 mei 1989 met vijf bijlagen heeft Mr. C. M. B. Diepenhorst te Utrecht namens de besloten vennootschap Zegwaard B.V. te Delft (klaagster) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het NOS-JOURNAAL (betrokkene). Per brief van 27 juli 1989 met acht bijlagen heeft J. T. Rodenburg, plaatsvervangend hoofdredacteur van het NOS-Journaal, namens betrokkene op de klacht geantwoord.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 1989. Namens klaagster is verschenen haar directeur W. Zegwaard samen met Mr. C. M. B. Diepenhorst. Het NOS-Journaal werd ter zitting vertegenwoordigd door J. T. Rodenburg, die werd bijgestaan door Mr. H. J. M. Boukema, advocaat te Amsterdam.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van destukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klaagster voert een onderneming op het gebied van afvalverwerking en riooltechniek. Op 11 april 1989 is bij klaagster een justitiële inval gedaan wegens de verdenking van strafbare feiten waaronder overtreding van de Wet Chemische Afvalstoffen. Dit nieuwsfeit heeft veel publiciteit gekregen, onder andere in het NOS-Journaal van 11 april. De directeur van klaagster heeft in dat Journaal de beschuldigingen ontkend.
In vervolguitzendingen van het NOS-Journaal van 12 april, 13 april en 15 april 1989 is respectievelijk aandacht besteed aan de teruggave van een deel van de bij klaagster in beslag genomen administratie, een inval door de Belgische justitiële autoriteiten bij vijf afvalverwerkingsbedrijven, waaronder een dochteronderneming van klaagster en beweerde illegale stortingen van chemisch afval door klaagster in Belgje.
In de uitzendingen van het NOS-JOURNAAL van 18 april 1989 van respectievelijk 17.30 uur, 19.00 uur en 20.00 uur is door de NOS nadere aandacht besteed aan de verdenkingen van justitie. In het journaal van 20.00 uur werd na aanhouding van het onderwerp de volgende tekst uitgesproken tijdens de vertoning van beelden van onder meer de bedrijfsgebouwen van klaagster. (De tekst van de uitzendingen van 17.30 uur en 19.00 uur was grotendeels gelijkluidend.)

'Het Delftse afvalbedrijf Zegwaard wordt ervan verdacht dat het jarenlang systematisch chemisch afval heeft laten verwerken als gewoon huisvuil. Het grootscheepse onderzoek van justitie richt zich op deze praktijken. Het afval is illegaal gestort en verbrand bij veel te lage temperaturen. En daardoor zijn giftige stoffen terecht gekomen in de bodem en in de lucht. Diverse bronnen hebben dit bevestigd.
Er wordt rekening mee gehouden dat justitie op het spoor is van het grootste milieuschandaal in Nederland tot nu toe. Jarenlang heeft Zegwaard grote bedragen berekend voor het verzamelen van chemisch afval en dat vervolgens afgevoerd als gewoon huisvuil. Het bedrijf heeft alleen een vergunning om huishoudelijk en onschadelijk bedrijfsafval te verwerken.
Omdat huisvuil uit heel veel verschillende soorten afval bestaat, leent het zich uitstekend om chemische stoffen te camoufleren.

Het mengen gebeurde onder meer in deze loods op het terrein van Zegwaard Delft. Door het mengen zijn sterk giftige pcb's, aromatische koolwaterstoffen als benzeenethylenen en oliehoudende stoffen, verbrand in ovens, die uitsluitend bestemd zijn voor huisvuil. Het gaat om ovens in Den Haag, de Rijnmond en in Rotterdam. Het onderzoek richt zich ook op stortplaatsen, zoals recreatiepark West in Zoetermeer en Bergschenhoek.
Een paar dagen geleden vond de Belgische justitie bewijzen dat Zegwaard chemisch afval illegaal heeft gedumpt in het Waalse Mont Saint Guibert. De inbeslagneming van de administratie van vijf bedrijven in Belgje volgde op een grote actie van de Nederlandse justitie. Precies een week geleden nam die op tien adressen de administratie van Zegwaard in beslag. Alleen al in de hoofdvestiging in Delft kwamen er vijfhonderd verhuisdozen aan te pas. De administratie is van groot belang voor justitie om te achterhalen hoe veel en hoe vaak Zegwaard chemisch afval heeft verborgen in gewoon huisvuil. Dat valt bij de verbrandingsoven niet of nauwelijks te controleren'

Het onderwerp werd afgesloten met informatie over de verwerking van huisvuil in Nederland in het algemeen. Hierover werden enige deskundigen aan het woord gelaten. De slotmededeling luidde als volgt:
'We hebben Zegwaard vandaag op de hoogte gesteld van onze berichtgeving. In een persverklaring heeft het bedrijf ons daarop laten weten te blijven bij eerdere ontkenningen' .

STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klaagster zijn de volgende.
1. In de uitzendingen van 18 april 1989 wordt het voorgesteld of de schuld van klaagster aan een aantal ernstige milieudelicten vaststaat, zulks terwijl daarvoor geen enkel bewijs was en is en justitie nog niet had en heeft aangegeven welke concrete verdenkingen er tegen klaagster zijn.
2. Het NOS-Journaal heeft ten onrechte verzuimd met betrekking tot de uitzendingen van die dag wederhoor toe te passen.
De directeur van klaagster werd op 18 april te 17.15 uur telefonisch benaderd door een medewerkster van het NOS-Journaal met de mededeling dat in de uitzendingen van die avond - de eerste te 17.30 uur - een aantal feiten zouden worden onthuld, met name het mengen van chemisch afval met huisvuil. Aan de directeur van klaagster werd gevraagd of deze nog iets had toe te voegen aan zijn eerdere ontkenning.
Het was voor klaagster niet mogelijk zich op een termijn van 15 minuten behoorlijk voor te bereiden op een reactie in het journaal van 17.30 uur of later op die avond. Bedacht dient te worden dat door de inval van justitie het gehele bedrijf van klaagster in grote organisatorische moeilijkheden was geraakt, zodat klaagster ook nog niet de gelegenheid had gevonden een professionele woordvoerder aan te stellen. Daartoe waren wel voorbereidingen getroffen.
Slechts onder juridische druk is klaagster erin geslaagd in het NOS-Journaal van 19 april een weerwoord te geven. Klaagster meent overigens dat haar ook in die uitzending geen serieuze kans is gegeven om op de zaak in te gaan.
Van de zijde van het NOS-Journaal is betoogd dat de uitzending van 18 april gezien moet worden in verband met de eerdere uitzendingen over hetzelfde onderwerp. Bij het publiek was bekenddat het ging om strafbare feiten, die nog in onderzoek waren. De vorm waarin de mededelingen over de gedragingen van klaagster werden gedaan was bepaald door het vereiste dat de tekst bij journaalbeelden duidelijk en eenvoudig moet zijn. In de inleiding is met zoveel woorden gezegd dat het gaat om verdenkingen. Meegedeeld is dat diverse bronnen deze hebben bevestigd. De bronnen zelf worden in de uitzendingen niet nader genoemd vanwege de overeengekomen geheimhouding. Het NOS-Journaal is bereid deze bronnen zonodig bekend te maken aan een door de Raad aan te wijzen vertrouwenspersoon.
De NOS is voorts van oordeel dat er voldoende bronnenbevestiging was om het vergaarde materiaal over het bedrijf van klaagster uit te zenden zonder klaagster daarover zelf nog te horen. Ten overvloede is klaagster nog wel in de gelegenheid gesteld een weerwoord te geven. Het is de vrije keuze van klaagster geweest hiervan op 18 april geen gebruik te maken. Gezien de grote actualiteit van het onderwerp was uitstel van de voorbereide uitzending, teneinde klaagster meer tijd te geven, niet verantwoord.

Toen zich op 19 april het nieuwsfeit voordeed dat betrokkene bekend maakte ook zelf een onderzoek naar de vermeende illegale praktijken in te stellen, heeft het NOS-Journaal klaagster opnieuw in de gelegenheid gesteld de zaak van haar kant te belichten. Daarvan is toen ook door klaagster gebruik gemaakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Naar aanleiding van een met grote publiciteit gepaard gaand justitieel onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van klaagster bij milieudelicten heeft betrokkene, vooruitlopend op de pas op zeer lange termijn te verwachten uitslag van dat onderzoek eigen naspeuringen gedaan. Ter beoordeling staat de vraag of betrokkene in het verslag daarvan in de journaaluitzendingen van 18 april 1989 voldoende heeft laten uitkomen dat de illegale en strafbare handelingen, waarop de verdenkingen zich richten, nog niet vaststaan.

De Raad meent dat betrokkene in dit opzicht onzorgvuldig te werk is gegaan. Slechts in de eerste twee zinnen van het in volle lengte, 6,5 minuten durende onderwerp wordt meegedeeld dat het gaat om de verdenking van strafbare feiten. Voor het overige wordt de indruk gewekt dat de gedragingen al vaststaan alsmede waaruit deze hebben bestaan, namelijk de vermenging van chemisch afval met huisvuil.
Naar het oordeel van de Raad had betrokkene, zonder afbreuk te doen aan de duidelijkheid en de eenvoud van taalgebruik die het NOS-Journaal vereist, kunnen aangeven dat het nog steeds ging om vermoedens en niet om vaststaande feiten. Betrokkene mocht er niet vanuit gaan dat dit voor het publiek vanwege de eerdere NOS-uitzendingen duidelijk was. Bovendien diende betrokkene rekening te houden met de mogelijkheid dat voor een deel van het publiek de uitzendingen van 18 april over dit onderwerp nieuw waren.
Daar het ging om zeer ernstige beschuldigingen was naar het oordeel van de Raad het door betrokkene gevraagde weerwoord geen onverplichte uitnodiging maar een noodzaak. Mede gezien het feit dat het doen van de naspeuringen en het samenstellen van het nieuws-item aanzienlijk veel tijd moet hebben gekost, had betrokkene daarvoor aan klaagster meer ruimte moeten geven. De 15 minuten bedenktijd die klaagster op 18 april gegund werden waren in deze omstandigheden onvoldoende. De Raad laat daarbij in het midden of klaagster niet een reactie had kunnen bedingen in de latere uitzendingen van die avond.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat het NOS-Journaal gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van de redactie de grenzen heeft overschreden van hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is door in de journaaluitzendingen van 18 april 1989 de indruk te wekken dat de milieudelicten waarvan Zegwaard B.V. door justitie wordt verdacht, daadwerkelijk door haar zijn gepleegd, door onvoldoende te laten uitkomen dat de feiten waarvan in de uitzendingen melding wordt gemaakt, nog niet vaststaan en door betrokkene onvoldoende gelegenheid te geven tot het leveren van een weerwoord.

De Raad verzoekt betrokkene aan deze beslissing in zijn geheel of in samenvatting aandacht te besteden in één van de uitzendingen van het NOS-Journaal.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 30 oktober 1989 door Mr. W. D. H. Asser, voorzitter, D. F. Houwaart, J. L. de Troye, Mr. F. Kuitenbrouwer en Mr. D. I. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten. secretaris.

RvdJ 1989, 15.