1989/14 ongegrond

ROBERT P. TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN DE TELEGRAAF EN ROB KNIJFF

Bij brief van 7 februari 1989 met zes bijlagen heeft Robert P. te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van de Telegraaf en de journalist Rob Knijff (betrokkenen). Bij brief van 29 maart 1989 liet H. L. de Haas, hoofdredacteur van de Telegraaf, weten geen behoefte te hebben op de klacht te reageren.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juni 1989. Klager is in persoon verschenen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In de afleveringen van de Telegraaf van 17,19 en 21 september 1988 is uitvoerig aandacht besteed aan een onderzoek van de zedenpolitie te Utrecht en Scotland Yard naar de vervaardiging van kinderporno in Nederland met gebruikmaking van engelse schooljongens. Als hoofdverdachten worden genoemd een fotograaf uit Huizen en een onderwijzer uit Utrecht.
In een bericht van 23 september 1988 wordt onder de kop 'Opnieuw twee mannen in arrest voor kinderporno' de arrestatie vermeld van onder meer 'de 38jarige Amsterdammer R. P.'. Vermeld wordt dat beiden worden verdacht 'van het plegen van ontucht met Nederlandse kinderen, het in contact brengen van kinderen met pedofielen (koppelarij) en het in bezit hebben van een hoeveelheid kinderporno'.
In de Telegraaf van 21 december 1988 wordt verslag gedaan van de behandeling van de strafzaak tegen de fotograaf uit Huizen, de '38-jarige Robert P. uit Amsterdam' en een andere verdachte Dit artikel bevat onder meer de volgende passages.

'In deze omvangrijke kinderpornozaak, die deze krant op 17 september jongstleden in de publiciteit bracht, werd op grote schaal misbruik gemaakt van Nederlandse en Engelse schoolkinderen tussen de tien en vijftien jaar'. 'Het drietal stond gisteren alleen terecht wegens door hen gepleegde ontucht en zal zich op een later tijdstip alsnog moeten verantwoorden voor het vervaardigen van een onvoorstelbare hoeveelheid kinderpornomateriaal' .
'De 38-jarige Amsterdamse pedofiel Robert P. zei gisteren nog steeds omgang te hebben met het jongetje Danny, met wie hij met medeweten van de ouders al vanaf het 13e jaar van het kind een seksuele relatie heeft. Een andere jongen, Marco, was zelfs pas negen toen hij P. leerde kennen' .

In de Telegraaf van 3 januari 1989 wordt onder de kop 'Fotograaf krijgt celstraf voor kinderporno' een bericht geplaatst over de aan de drie verdachten opgelegde straffen. Dit bericht eindigt met de mededeling dat de drie zich op een later tijdstip nog moeten verantwoorden voor het maken en verspreiden van kinderpornomateriaal .

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft tegen de artikelen in de Telegraaf de volgende bezwaren geuit.
1. Hoewel klager alleen vervolgd en veroordeeld is voor het plegen van ontucht wordt in de berichtgeving van de Telegraaf de suggestie gewekt dat hij te maken heeft met de vervaardiging of verspreiding van kinderporno doordat in de berichten van 23 september en 21 december 1988 en van 3 januari 1989 telkens een verband wordt gelegd met de kinderpornozaak. Klager is daarvoor niet vervolgd. Volgens klager is het ook onjuist dat de officier van justitie dat alsnog wil doen. De artikelen wekken ten deze een verkeerde suggestie.
2. De artikelen bevatten nog andere feitelijke onjuistheden of onterechte suggesties. Anders dan het artikel suggereert is zijn relatie met Marco niet begonnen toen deze negen jaar oud was maar pas veel later. Genezing van de pedofiele inslag is alleen ter sprake geweest met betrekking tot de hoofdverdachte en niet met betrekking tot klager.
3. Het vermelden van de voornaam van klager in combinatie met die van zijn vriend heeft geleid tot herkenning. Klager voelt zich hierdoor benadeeld. In het algemeen hebben naar zijn mening de artikelen straf verhogend gewerkt door voortdurend verband te leggen met de kinderpornozaak waar klager buiten staat.
Van de zijde van betrokkenen werd geen inhoudelijke reactie op de klacht verkregen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Bij de beoordeling van de klacht beperkt de Raad zich tot de artikelen waarin klager wordt genoemd en tot de feiten die aan klager worden toegeschreven.
Door klager met zijn voornaam aan te duiden in combinatie met de vermelding van de naam van zijn vriend wordt de herkenbaarheid van klager vergroot, echter niet buiten de kring van personen die klager al konden kennen. Voor derden is klager aan de hand van de gegevens niet traceerbaar.
Feitelijke onjuistheden ten aanzien van klager bevatten de berichten niet. Wel wordt, doordat in de berichten ten aanzien van klager steeds naar de kinderpornozaak wordt verwezen, een verband gesuggereerd dat nog niet vaststaat, maar mede gezien de onzekerheid hieromtrent hebben betrokkenen hierdoor niet de grenzen overschreden van het toelaatbare.

BESLISSING

De Raad is van mening dat betrokkenen ondanks het mogelijk ten onrechte gelegde verband tussen de strafzaak tegen klager en een kinderpornozaak, in hun berichtgeving over die strafzaak niet de grenzen hebben overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid van betrokkenen maatschappelijk aanvaardbaar is.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in de Telegraaf te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 juni 1989 door Mr. P. J. Boukema, voorzitter, J. de Troye, Mr. G. Dullens, Drs. H. W. M. van Run en mw. T. M. L├╝cker, leden, in tegenwoordigheid van Mr A. C M Karsten. secretaris.

RvdJ 1989, 14.