1989/13 ongegrond

STICHTING VERVOLGD CHRISTENDOM TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN KOERS EN P. W. BERGWERFF

Bij brief van 22 december 1988 met 8 bijlagen en aanvullende brief van 16 maart 1989 heeft Ir. B. W. Breunesse te Den Haag namens bestuur en directie van de stichting Vervolgd Christendom, alsmede namens de Raad van Advies en Toezicht van deze stichting (klagers), een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Koers en de journalist P. W. Bergwerff (betrokkenen).
Bij brief van 13 mei 1989 met 13 bijlagen heeft betrokkene Bergwerff op de klacht gereageerd. Bij brief van 20 mei 1989 heeft de hoofdredacteur van Koers zich bij het verweer van betrokkene Bergwerff aangesloten.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juni 1989. Namens klagers verscheen Ir. B. W. Breunesse en namens betrokkenen P. W. Bergwerff.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In het reformatorisch christelijke blad Koers is in artikelen van 6 maart 1987, 4 april 1987 en 29 mei 1987 aandacht besteed aan de werkwijze en het mogelijk samengaan van een aantal organisaties die zich bezighouden met de hulpverlening aan christenen in het Oostblok waaronder de stichting Vervolgd Christendom. In het door betrokkene Bergwerff geschreven artikel van 4 april 1987 wordt onder meer de wijze van fondswerving en financiële verantwoording van de stichting Vervolgd Christendom besproken in de volgende alinea.

'Ondoorzichtigheid is er soms ook op het vlak van de financien. Dat kan tot uitdrukking komen in het ontbreken van jaarlijkse accountantsrapporten, hoewel steeds meer organisaties dat gelukkig als een onmisbare zaak gaan ervaren. Het is vooral het door Joe Bass geleide internationale Charitatieve Imperium Interaid (waarvan Vervolgd Christendom deel uitmaakt), dat in het verleden flink in opspraak kwam en daarmee zelfs de wereldpers haalde' .

In de aflevering van Koers van 18 april 1987 is onder het kopje 'Vervolgd Christendom' een ingezonden brief opgenomen van Ir. B. W. Breunesse met commentaar op het artikel van betrokkene Bergwerff uit Koers van 4 april 1987. Deze brief bevat de volgende passage.

'1. Wel beweert hij dat bij Vervolgd Christendom (internationaal) ondoorzichtigheid is op het vlak van de financien, maar hij verzwijgt dat de financien van Vervolgd Christendom (internationaal) door een gerenommeerd internationaal accountantsbureau worden gecontroleerd.

2. Wel beweert hij dat Vervolgd Christendom (internationaal) in het verleden flink in opspraak kwam en zelfs de wereldpers haalde; maar hij verzwijgt dat dit in hoofdzaak veroorzaakt werd door een artikel in The New York Times van 11 januari 1985, welk artikel o.a. in The Washington Times van 31 mei 1985 grondig is weerlegd, met welke weerlegging Vervolgd Christendom (internationaal) is gerehabiliteerd.

3. Wel beweert hij dat Vervolgd Christendom (internationaal) geen lid is van de Evangelical Council for Financial Accountability; maar hij verzwijgt dat bijvoorbeeld ook de organisatie van Ds. Billy Graham daar geen lid van is; hij verzwijgt ook dat Vervolgd Christendom (internationaal) wel lid is van de Council of Better Business Bureaus/Philanthropic Advisory Service'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers richten zich in hoofdzaak tegen het feit dat naar hun mening betrokkene Bergwerff de stichting Vervolgd Christendom ondoorzichtig financieel beleid verwijt zonder dat hij deze bewering concretiseert en motiveert. Aan de hoofdredacteur van Koers verwijten klagers dat de stichting Vervolgd Christendom niet is uitgenodigd voor het ronde tafel gesprek tussen betrokkene Bergwerff en een aantal vertegenwoordigers van in het artikel van 4 april 1987 genoemde organisaties, van welk gesprek verslag wordt gedaan in het artikel van 29 mei 1987. Daarnaast verwijten klagers de hoofdredacteur van Koers dat een brief van Ir. B. W. Breunesse van 15 juni 1987 met een reactie op laatstgenoemd artikel niet is geplaatst.
Betrokkene Bergwerff is van oordeel dat hij zijn kritiek op met name de financiële verantwoording van de stichting Vervolgd Christendom in voorzichtige bewoordingen heeft gesteld. Het artikel van 4 april 1987 in Koers is te beschouwen als een samenvatting van een serie van 7 artikelen in het Nederlands Dagblad in de periode 29 november 1984 tot 1 maart 1985 over de werkwijze van een aantal organisaties die zich bezighouden met hulp aan christenen in het Oostblok. Daar naar zijn veronderstelling de meeste Koers-lezers ook het Nederlands Dagblad lezen heeft hij aangenomen dat de materie al bekend was bij de Koers-lezers. In bedoelde serie wordt de door hem geuite kritiek uitvoerig gemotiveerd. Destijds hebben klagers zich van een openbare reactie onthouden.
Betrokkene Bergwerff kan niet met zekerheid zeggen of het juist is dat klagers niet zijn uitgenodigd voor het ronde tafel gesprek.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Ten aanzien van klagers bezwaar dat betrokkene Bergwerff zijn kritiek op het financiële beleid van de stichting Vervolgd Christendom niet heeft gemotiveerd en dat deze beschuldiging onterecht is, overweegt de Raad enerzijds dat van de zijde van klagers niet in het openbaar werd gereageerd op de serie artikelen van betrokkene over hetzelfde onderwerp in het Nederlands Dagblad en anderzijds dat betrokkene bekendheid van de lezers met één en ander mocht veronderstellen nu de lezers van Koers in hoofdzaak ook het Nederlands Dagblad lezen.
Hoewel het duidelijker geweest zou zijn wanneer betrokkene Bergwerff zijn motivering in het aangevallen artikel in het kort had overgenomen heeft hij niet onzorgvuldig gehandeld jegens klagers door dit niet te doen.
Met betrekking tot de hoofdredacteur van Koers geldt dat de wel gepubliceerde brief van Ir. Breunesse een gedetailleerde reactie omvat op de kwestie van het financiële beleid van Vervolgd Christendom.
De hoofdredacteur heeft naar het oordeel van de Raad niet onzorgvuldig gehandeld door de tweede ingezonden brief niet op te nemen nu deze geen nieuw licht op de zaak werpt.
De Raad acht zich niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of de stichting Vervolgd Christendom al dan niet terecht wel of niet werd uitgenodigd voor het ronde tafel gesprek.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Koers te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad 5 juni 1989 door Mr. P. J. Boukema, voorzitter, J. de Troye Mr. G. Dullens, mw. T. M. Lücker en Drs. H. W. M. van Run, leden in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten.

RvdJ 1989, 13.