1989/11 ongegrond

L. RICHARD TEGEN MICHIEL PRAAL (NATIONALE IDEEËNBUS VAN VERONICA)

Bij brief van 30 december 1988 met 4 bijlagen heeft L. Richard te Rotterdam (klager) een klacht ingediend tegen Michiel Praal, eindredacteur van het televisieprogramma 'De Nationale Ideeënbus van Veronica (betrokkene). Bij brief van 8 maart 1989 met twee bijlagen heeft B. Smits, adjunct-directeur televisie bij Veronica, namens betrokkene op de klacht gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 5 juni 1989. Klager is in persoon verschenen. Namens betrokkene was aanwezig mw van Rossum.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. Klager heeft zich in 1984 gewend tot het Uitvinderscentrum Nederland te Rotterdam voor advies over de mogelijkheid van verdere ontwikkeling en produktie van een door hem uitgewerkt idee voor een vacuümpomp voor de conservering van aangebroken flessen wijn. Het contact met het Uitvinderscentrum heeft niet tot de door klager gewenste voortgang geleid.
In de uitzending van het televisieprogramma De Nationale Ideeënbus van 3 oktober 1986 is aandacht besteed aan een vacuümpompje voor flessen wijn waarbij een ander dan klager genoemd is als uitvinder. Klager heeft bij brief van 9 september 1988 aan betrokkene kenbaar gemaakt dat naar zijn mening het idee van de vacuümpomp afkomstig is van hem, dat het Uitvinderscentrum uit commerciële overwegingen niet met hem maar met de in het programma genoemde derde in zee is gegaan en dat hij aanspraak maakte op vermelding van deze feiten in één van de uitzendingen van De Nationale Ideeënbus. Betrokkene heeft aan het verzoek van klager niet voldaan.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De klacht bij de Raad voor de Journalistiek betreft de feiten, die vermeld staan in bovengenoemde brief van klager van 9 september 1988 aan betrokkene. Het gaat in hoofdzaak om het feit dat klager zich als uitvinder van het vacuümpompje beschouwt, hetgeen naar zijn mening door betrokkene in het televisieprogramma De Nationale Ideeënbus moet worden vermeld.

Betrokkene heeft geantwoord dat bij de selectie van de deelnemers aan het programma advies wordt gevraagd, niet alleen aan het Uitvinderscentrum te Rotterdam maar ook aan de Octrooiraad. Toen in het programma van 3 oktober 1986 een ander dan klager als uitvinder van het vacuümpompje werd gepresenteerd gebeurde dat na uitvoerig onderzoek door genoemde adviserende instanties. Betrokkene meent dat hij daarop mocht afgaan. Volgens deze deskundigen staan de rechten van klager niet vast. Of en in hoeverre het Uitvinderscentrum bij het in ontwikkeling nemen van het in het televisieprogramma gepresenteerde vacuümpompje gebruik heeft gemaakt van ideeën van klager is een zaak tussen klager en het Uitvinderscentrum. Betrokkene acht zich niet verplicht daarvan melding te maken.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat bij deze klacht om de vraag of betrokkene de plicht had melding te maken van de door klager gepretendeerde rechten op de in de uitzending van 3 oktober 1986 op naam van een ander gepresenteerde uitvinding van het vacuümpompje. De Raad overweegt hierbij dat het ten deze gaat om een zeer ingewikkelde materie: in zaken van octrooirecht is veelal niet langs eenvoudige weg vast te stellen wie rechthebbende op een bepaalde vinding is.
De Raad meent daarom dat betrokkene mocht afgaan op het oordeel van de ingeschakelde deskundigen bij de presentatie van de in het geding zijnde uitvinding. Toen klager zich later als rechthebbende meldde behoefde betrokkene daarvan geen mededeling te doen nu immers de rechten van klager niet vaststaan.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond. Betrokkene heeft niet de grenzen overschreden van hetgeen gelet op zijn journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar is door in het programma De Nationale Ideeënbus een ander dan klager als uitvinder van een vacuümpompje voor flessen aangebroken wijn te presenteren, nu betrokkene daarbij is afgegaan op het oordeel van deskundigen, en door na te laten in een latere uitzending melding te maken van gepretendeerde rechten van klager, nu deze rechten niet vaststaan .

De Raad verzoekt betrokkenen aan deze beslissing bekendheid te geven in één van de uitzendingen van De Nationale Ideeënbus.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 5 juni 1989 door Mr. P. J. Boukema, voorzitter, J. de Troye, Mr. G. Dullens, Drs. H. W. M. van Run en mw. T. M. Lücker leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1989, 11.