1988/8 gegrond

MR. B. B. JAGT EN MR. C. L. KOETS-BOLHUIS TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN VRIJ NEDERLAND EN M. JOSTEN

Bij brief van 12 november 1987 met negen bijlagen hebben Mr. B. B. Jagt en Mr. C. L. Koets-Bolhuis, advocaten te Den Haag, (klagers) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van Vrij Nederland en de journalist M. Josten (betrokkenen). Bij brieven van 19 november met één bijlage en 28 december 1987 hebben klagers hun klacht aangevuld.
Betrokkenen hebben geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Nadat de zaak op 1 februari 1988 is aangehouden wegens ziekte van de hoofdredacteur van Vrij Nederland is de zaak behandeld ter zitting van de Raad van 3 maart 1988. Van de zijde van klagers was aanwezig Mr C. L. Koets-Bolhuis. Betrokkenen hadden onder opgave van redenen laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

In Vrij Nederland van 25 juli 1987 is onder de kop 'Gastvrij?' een artikel gepubliceerd van Marc Josten over het Nederlandse overheidsbeleid ten aanzien van asielzoekers. In dit artikel wordt onder meer melding gemaakt van de ervaringen van klagers, die als advocaat regelmatig asielzoekers bijstaan. Klagers worden met hun volle naam in het artikel aangeduid. Klagers worden beiden verschillende malen geciteerd in respectievelijk de volgende passages.

'Als de termijn van zeven of dertig dagen verstreken is, moet de asielzoeker het land verlaten, tenzij zijn advocaat een kort geding aanspant tegen de uitzetting Justitie noemt het 'een goede gewoonte' om asielzoekers voor die uitspraak niet uit te zetten. Goed wél. Maar een 'gewoonte'? ' Ik belde voor de zekerheid nog eens met de President van de Haagse rechtbank of het aanstaande kort geding in de zaak Rashpal Bhopal geregeld was', zegt Mr. Koets-Bolhuis. 'Ja hoor, alles was in orde'. De volgende ochtend belden de Nederlandse pleegouders van Rashpal: de vreemdelingenpolitie had hem van zijn bed gelicht. Met een noodvaart reed ik naar Schiphol om nog te redden wat te redden viel. Toen ik aankwam steeg het vliegtuig naar Delhi net op. Ik heb nooit meer iets van hem gehoord' . . .'
'De Haagse bewaarplaats is berucht om het gedrag van de bewakers, vooral ten aanzien van buitenlanders. 'Vorige maand nog hebben ze mijn cliënte B. B. een mooie twintigjarige Zaïrese, seksueel misbruikt', zegt Jagt. 'Het was een vast ritueel. Eerst tremden ze haar buurman, ook een asielzoeker, in elkaar. Daarna maakte ze de deur van B.'s cel open. Onder zware intimidatie moest ze zich iedere nacht seksuele handelingen van meerdere bewakers tegelijk laten welgevallen."

Na de verschijning van het artikel heeft klaagster Koets-Bolhuis bij brief van 29 juli bezwaar gemaakt tegen de vermelding van haar naam en die van Mr. Jagt en die van hun cliënten alsmede tegen de inhoud van bovenvermelde passage, waarin zij wordt geciteerd. Bij brief van 3 augustus 1987 heeft klager Jagt een ingezonden stuk aangeboden waarin hij feitelijke achtergrondinformatie geeft teneinde het bovenvermelde uit zijn mond opgetekende citaat in een ander licht te plaatsen.
Nadat Mr. Jagt een kort geding had aangespannen bij de President van de rechtbank te Amsterdam is in Vrij Nederland van 20 februari 1988 in de ingezonden brieven-rubriek onder het kopje 'Rectificatie' een mededeling van de redactie van Vrij Nederland opgenomen. Deze bevat de volgende passage. 'In de weergave van de gesprekken met Mr. Jagt en Mr. Koets-Bolhuis zijn enkele onzuiverheden geslopen, waardoor diverse gebeurtenissen in het artikel te zwaar zijn aangezet. Bovendien werd ten onrechte niet duidelijk dat Mr. Jagt slechts als intermediair voor zijn cliënten aan het woord was. Tenslotte was, bij het noemen van namen van de betrokken vluchtelingen, een grotere terughoudendheid op zijn plaats geweest'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klagers zijn de volgende:
1. Met Marc Josten was overeengekomen dat klagers het artikel voor publikatie ter inzage zouden krijgen.
2. Afgesproken was dat noch de namen van klagers noch de namen van hun cliënten in het artikel genoemd zouden worden.
3. Klaagster Koets-Bolhuis is verkeerd geciteerd.
4. De door een cliënt van klager Jagt verstrekte informatie is ten onrechte weergegeven als een citaat van klager Jagt zelf. Bovendien is de informatie op onderdelen feitelijk onjuist.

Bij het aangevallen citaat van klaagster Koets-Bolhuis gaat het erom dat zij niet belde met de President van de rechtbank maar met de vreemdelingendienst zelf, namelijk of er nog voldoende tijd was om een kort geding te organiseren. Onjuist is dat de betrokken vreemdeling bij zijn pleegouders van zijn bed werd gelicht en dat klaagster naar Schiphol gereden zou zijn.
Bij het aangevallen citaat van klager Jagt gaat het om door zijn cliënt zelf aan Josten verstrekte informatie. De cliënt sprak Frans. Klager Jagt is ten behoeve van Josten opgetreden als tolk. Feitelijk onjuist is dat de Zaïrese asielzoekster door meer bewakers tegelijk werd lastig gevallen. Met 'ritueel' werd gedoeld op het opengaan van de celdeur en niet op mishandeling van een andere gevangene.

Betrokkenen hebben voor hun standpunt verwezen naar de pleitaantekeningen van hun advocaat Mr. G. J. Kemper met betrekking tot het op 19 februari 1988 voor de President van de Rechtbank te Amsterdam gevoerd kort geding over dezelfde feiten als de onderhavige klacht. Volgens dat stuk worden de door klagers gestelde afspraken ontkend. Overeengekomen zou slechts zijn dat 'terughoudendheid' betracht zou worden bij het noemen van namen van cliënten van klagers.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad heeft niet kunnen vaststellen of over inzage van het artikel vooraf tussen partijen een afspraak werd gemaakt. Over dit onderdeel van de klacht zal de Raad geen uitspraak kunnen doen.
De Raad heeft evenmin kunnen vaststellen of overeengekomen werd dat de namen van klagers zelf niet genoemd zouden worden. Op grond van de door betrokkenen geplaatste rectificatie en het desbetreffende onderdeel uit de toegezonden pleitnota met betrekking tot het kort geding acht de Raad het aannemelijk dat die afspraak wél is gemaakt ten aanzien van de namen van cliënten van de klagers. Het betrachten van terughoudendheid is in ieder geval geschonden ten aanzien van de Zaïrese B. B. De Raad komt hierop hieronder terug.
Volgens de geplaatste rectificatie weerspreken betrokkenen niet dat klaagster Koets-Bolhuis verkeerd is geciteerd. Hoewel het hier om details gaat zijn deze bezwaren van klaagster derhalve terecht.
Eveneens terecht acht de Raad de bezwaren tegen het aangevallen citaat van klager Jagt. Onder meer op grond van de overgelegde verklaring van de desbetreffende informant en de inhoud van de rectificatie gaat de Raad ervan uit dat de in het citaat gegeven informatie verstrekt is niet door klager Jagt maar door een bekende van de Zaïrese asielzoekster. De Raad heeft niet kunnen vaststellen of de vermelde feiten in detail onjuist zijn weergegeven. Wel geldt met betrekking tot dit vermeende citaat dat betrokkenen gelet op de voorspelbare negatieve gevolgen voor klager Jagt en de Zaïrese de beloofde terughoudendheid hadden moeten betrachten. Door dit niet te doen hebben zij niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen.
De gegrondheid van dit laatste bezwaar wordt niet weggenomen door de naar het oordeel van de Raad cryptisch gestelde en overigens pas bijna 7 maanden na het eerste verzoek daartoe gepubliceerde - rectificatie. De gemaakte fout kon hierdoor niet meer worden goedgemaakt.

BESLISSING

De Raad acht de klacht gegrond voorzover deze betreft dat klaagster Koets-Bolhuis verkeerd werd geciteerd en voorzover deze inhoudt dat klager Jagt ten onrechte als zegsman werd opgevoerd en dat niet werd gewaarborgd dat de bron voor ernstige beschuldigingen aan het adres van bewakingspersoneel onherkenbaar bleef.
De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 3 maart 1987 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, Mr. P. J. Boukema, J. de Troye, Mr. D. T. Dalmolen en mevrouw T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 8.