1988/7 ongegrond

APAN TEGEN KEES WIESE

Bij brief van 6 januari 1988 met 1 bijlage heeft K. Geertsma te Groningen namens de Vereniging Aktieve Praktijkarchaeologie Nederland (APAN) een klacht ingediend tegen Kees Wiese (betrokkene). Bij brief van 6 februari 1988 met 6 bijlagen heeft deze op de klacht gereageerd.
De Raad heeft op 18 februari 1988 met toestemming van partijen over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
In de aflevering van 16 oktober 1987 van het programma 'De week bekeken' van Radio Noord is naar aanleiding van diens overlijden aandacht besteed aan de Drentse amateur archeoloog Tjerk Vermaning. Vermaning werd tijdens zijn leven beschuldigd van het vervalsen van oudheidkundige vondsten. Betrokkene werd in het programma geïnterviewd na de volgende inleiding.
'Eén van de mensen die deze zaak op een journalistiek redelijk onafhankelijke wijze gevolgd heeft, als ik dat zo mag zeggen, is Kees Wiese, redacteur wetenschappen bij het Nieuwsblad van het Noorden. En met hem wil ik in deze uitzending van 'De week bekeken' nog eens terugblikken op Vermaning en al zijn sores'.
In het vraaggesprek is de rol van groepen om Vermaning heen aan de orde gekomen en hun reacties op het standpunt van professionele archaeologen ten opzichte van de vondsten van Vermaning. Daarbij wordt door betrokkene de volgende zinsnede geuit:
'het taalgebruik in die publikaties van die APAN, die echt niet onder doet voor allerlei ouwe nazistische schendblaadjes . . .'

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager acht de uitspraak van betrokkene kwetsend. Hij meent dat het werk van APAN daar-door in een kwalijk daglicht wordt gesteld. Om deze redenen beklaagt klager zich over die uitspraak.

Betrokkene heeft geantwoord dat hij zijn beroep van journalist gewoonlijk schrijvend en niet sprekend uitoefent. Het in de klacht bedoelde vraaggesprek had slechts een zeer korte voorbereidingstijd. Dit doet niet af aan het feit dat de gewraakte meningsuiting de neerslag is van eerder uitvoerig onderzoek naar nationaal socialistische publikaties en tendenzen in de provincie Drenthe. Betrokkene acht zijn meningsuiting toelaatbaar en gerechtvaardigd.

ONTVANKELIJKHEID VAN DE KLACHT

De Raad heeft tot taak het beoordelen van journalistieke gedragingen naar aanleiding van bij de Raad ingediende klachten. De Raad zal eerst moeten onderzoeken of het uiten van de gewraakte zinsnede door betrokkene beschouwd kan worden als een journalistieke gedraging. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend omdat betrokkene ondervraagd werd in zijn kwaliteit van journalist zoals blijkt uit de wijze waarop hij in het programma werd ingeleid. Uit de reactie van betrokkene op de klacht blijkt dat ook voor betrokkene zelf de hoedanigheid van journalist voorop stond. Betrokkene heeft zichzelf aangeduid als 'sprekend journalist' in tegenstelling tot gewoonlijk schrijvende uitoefening van zijn beroep van journalist.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De klacht betreft de vraag of de uitlating van betrokkene valt onder de wettelijke inperking van het recht op vrije meningsuiting. De Raad is van oordeel dat dit niet het geval is. De vergelijking die betrokkene maakt geeft de persoonlijke opvatting van betrokkene weer over de stijl van klager.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 februari 1988 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, J. M. P. J. Verstegen en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 7.