1988/6 ongegrond

J. TILLEMA TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN HET ALGEMEEN DAGBLAD

Bij brief van 29 december 1987 met één bijlage heeft Mr. F. Westenberg te Hoorn namens J. Tillema te Zwaag (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad (betrokkene). Bij brief van 2 februari 1988 heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De Raad heeft op 18 februari 1988 met toestemming van partijen over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
In het Algemeen Dagblad van 17 oktober 1987 is onder de kop 'Knoeien voor 'gouden handdruk' ontdekt' een berichtje gepubliceerd van de volgende inhoud.

'Na 11 maanden als boekhouder te hebben gewerkt bij Dried Fruit in Obdam (NH), vond J. T. uit Zwaag het welletjes. Hij nam in augustus ontslag en gaf zichzelf een gouden handdruk van ruim 45.000 gulden.
Hij liet de directeur een stuk papier tekenen waarop stond dat hij nog f 1.507,93 vakantiegeld tegoed had. Hij veranderde dat in f 46.507,93: een kwestie van een viertje ervoor en de 1 in een 6 veranderen.
Drie weken later kwam er een nieuwe boekhouder . . .
De man bekende uiteindelijk, maar er werd geen aangifte gedaan bij de politie. Er is een terugbetalingsregeling met T. getroffen' .

Klager is de in het berichtje bedoelde bij Dried Fruit vertrokken boekhouder.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Het bezwaar van klager tegen het bericht is dat hij door de vermelde initialen in verband met de bedrijfsnaam van zijn vroegere werkgever herkenbaar is. Als gevolg hiervan werd hij bij zijn nieuwe werkgever in de proeftijd ontslagen. Hij ondervond ook last van de publikatie bij zijn pogingen elders werk te vinden. Hij acht de publikatie 'een ongeoorloofde inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer'. Rechtstreeks contact met het Algemeen Dagblad leidde niet tot een oplossing.

Betrokkene heeft geantwoord dat het gebeurde vanwege een aantal uitzonderlijke omstandigheden nieuwswaarde had en dat daarover op zakelijke wijze is gepubliceerd. Ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van klager heeft betrokkene niet diens volle naam vermeld ook al kon klager wegens het uitblijven van een strafklacht niet als verdachte worden beschouwd.
'Mede om te voorkomen dat collega-boekhouders met de kwestie in verband zouden worden gebracht is besloten te volstaan met het vermelden van initialen en woonplaats van klager. De vermelding van beroep van klager was onvermijdelijk aangezien beroep en handeling onverbrekelijk verbonden zijn'.
Betrokkene is van mening dat er geen sprake is geweest van een ongeoorloofde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van klager.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Voorop staat de vrijheid van betrokkene om over nieuwsfeiten te publiceren. In het onderhavige geval bracht vermelding van een aantal noodzakelijke elementen en het beroep van klager al mee dat herkenning niet was uitgesloten. Dit behoefde betrokkene gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijk enerzijds en hetgeen maatschappelijk aanvaardbaar is anderzijds niet van de berichtgeving te weerhouden ook niet nu daarenboven nadere identificatie van klager (gebruik initialen) noodzakelijk was ter bescherming van collegaboekhouders. Het door klager gelegde verband tussen de bij zijn nieuwe werkgever en latere sollicitaties ondervonden moeilijkheden acht de Raad aanvechtbaar.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 18 februari 1988 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, J. M. P. J. Verstegen en A. G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 6.