1988/31 ongegrond

Brinkman & Niemeyer NV contra G. Molenaar

Bij brief van 26 september 1988 met I bijlageheeft mr. G.J. Bilderbeek te Utrecht namens de naamloze vennootschap Brinkmann & Niemeyer NV te Zutphen (klaagster) een klacht ingediend tegen G. Molenaar (betrokkene). Bij brief van 12 oktober 1988 met 7 bijlagen heeft deze op de klacht gereageerd. Op een door klaagster toegezonden getuigenverklaring werd door betrokkene gereageerd bij brief van 4 december 1988.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 8 december 1988. Namens klaagster verscheen ir. G.H. Swarte, directeur van Brinkmann & Niemeyer samen met mr. G.J. Bilderbeek. Betrokkene had laten weten niet te zullen verschijnen.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten.
In het Zutphens Dagblad van 23 augustus 1988 is onder de kop 'Brinkmann & Niemeyer: besprekingen met derden' met daarboven in kleinere letters: 'Onderhandelingen over aantrekken nieuw kapitaal' een bericht verschenen dat opent met de volgende alinea.

'Zutphen- De Handelsonderneming Brinkmann & Niemeyer (B&N) in Zutphen voert besprekingen met derden die een minderheidsbelang willen nemen in het bedrijf. B&N wil hiervoor de kleinere (familie)aandeelhouders, die gezamenlijk minder dan de helft bezitten, uitkopen. Door de deelname van een derde wil B&N de financiële positie van het bedrijf versterken. Die is na een verlies van meer dan een miljoen gulden vorig jaar ernstig aangetast.'

In het artikel worden na deze inleiding nadere gegevens verstrekt over hetgeen in die inleiding wordt meegedeeld.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster is van oordeel dat betrokkene 'de grenzen van wat maatschappelijk aanvaardbaar is, verre heeft overschreden', doordat hij in strijd met zijn voorafgaande mededeling aan de notuliste van de op 22 augustus 1988 gehouden aandeelhoudersvergadering informatie met een vertrouwelijk karakter naar buiten heeft gebracht. De vennootschap heeft hierdoor schade geleden, o.a. doordat potentiële cliënten werden afgeschrikt, de onderhandelingspositie met geïnteresseerden werd benadeeld en er onrust onder de werknemers ontstond.
Volgens klaagster heeft betrokkene, toen hij zich met een volmacht van een van de aandeelhouders voor het bijwonen van de aandeelhoudersvergadering van 22 augustus 1988 meldde, desgevraagd verklaard dat hij als gemachtigde kwam en dat hij niets uit de vergadering zou publiceren.

Betrokkene heeft ontkend dat hij de door klaagster gestelde afspraak voor het betreden van de vergaderzaal heeft gemaakt. Hij heeft in tegendeel aan de notuliste meegedeeld dat hij een publikatie over Brinkmann & Niemeyer voorbereidde. Belangrijker is echter naar de mening van betrokkene dat hij het materiaal voor zijn artikel van 23 augustus 1988 verzameld heeft uit andere bronnen en niet uit hetgeen in de aandeelhoudersvergadering aan de orde kwam. Hij beschikt over een brief van 29 juli 1988 aan de aandeelhouders. Deze bevatte informatie die niet strookte met hetgeen Ir. Swarte hem t.b.v. een eerdere publikatie meedeelde. Volgens die brief was er in plaats van 'een licht verlies' sprake van een verlies van meer dan een miljoen. Behalve deze stukken raadpleegde betrokkene een aantal deskundigen en de in deze zaak betrokken vakbondsbestuurder.
Met betrekking tot de vergadering van 22 augustus wordt in het artikel slechts de uitslag van de stemming meegedeeld. Hiervoor gold dat betrokkene niet aangewezen was op zijn eigen waarneming. De uitslag werd hem telefonisch door een der aandeelhouders nog meegedeeld.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Klaagster beroept zich op een met betrokkene gemaakte afspraak. Klaagster heeft echter niet kunnen aantonen dat betrokkene inderdaad heeft toegezegd niet uit de vergadering te zullen publiceren. Met betrokkene is de Raad van oordeel dat het niet van belang is of deze uitspraak nu wel of niet vaststaat. Immers, de aangevallen publikatie bevat geen materiaal dat niet uit andere bronnen afkomstig kan zijn. Het feit dat het publiceren van dit materiaal voor klaagster onaangename effecten zou hebben, behoefde betrokkene niet te weerhouden daartoe over te gaan.

BESLISSING

De raad verklaart de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 8 december 1988 door mr. R. de Waard, voorzitter, mr. T. Faber-de Heer, W.F. de Pagter, mr. F. Kuitenbrouwer en A.G. Scherphuis, leden, in tegenwoordigheid van mr., A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 31.