1988/29 ongegrond

J.K. Leutscher contra J. de Haas (Elsevier)

Bij brief van 6 juni 1988 met 20 bijlagen heeft J.K. Leutscher te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen J. de Haas, redacteur van Elsevier (betrokkene). Bij brief van 3 oktober 1988 heeft mr. P.B. Brusse, adjunct-hoofdredacteur van Elsevier, namens betrokkene op de klacht gereageerd. De Raad heeft op 8 november 1988 over de zaak beslist op grond van de stukken.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
In de aflevering van Elsevier van 13 februari 1988 is onder de kop 'Het wanbeheer van Dr. Boerema' een artikel verschenen van Joost de Haas over de beëindiging van het samenwerkingsproject van Vendex International en de uroloog J.B.J. Boerema tot het opzetten van gezondheidscentra op commerciële basis. Het artikel bevat de volgende passage.

"De ex-investeerder (Holland Venture, financier van een eerder project van dr. Boerema, RvdJ) is op de hoogte van mogelijke banden tussen Boerema en de Amsterdamse projectontwikkelaar J.K. Leutscher. 'Ja', zegt hij, 'die Leutscher dat is net zo'n figuur als Boerema.' 'Als dat zo is, dan zou Boerema dezelfde kwalificatie toekomen als de project-ontwikkelaar, die door een hoge ambtenaar op het Gelderse provinciehuis wordt aangeduid als 'een fantast'.
Manipulaties.
De gepensioneerde Nijmeegse zakenman P. van Tuijn zegt zich het slachtoffer te voelen van zakelijke manipulaties waaraan Leutscher zich schuldig zou hebben gemaakt. 'Ik kan het allemaal bewijzen', zegt hij, 'en ik heb vorig jaar februari Boerema nog gewaarschuwd voor hem. Hij was mij daarvoor zeer dankbaar en vertelde mij dat hij geen contact meer had met Leutscher. Toen heb ik Boerema gefeliciteerd.' Leutscher vroeg, kort na de kennelijk verbroken contacten met Boerema en ongeveer terzelfder tijd als de Nijmeegse arts, vergunmng aan voor een keten van commerciële ziekenhuizen. Bij alle instanties kreeg hij nul op het rekest.'

Het artikel vormt een vervolg op het artikel 'Gezondheid en commercie' van betrokkene uit Elsevier van 24 januari 1987. In Elsevier van 5 maart 1988 is een naar aanleiding van het artikel van 15 februari 1988 geschreven brief van klager gepubliceerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager meent dat betrokkene onzorgvuldig te werk is gegaan door hem niet om commentaar te vragen op de in het artikel over zijn persoon opgenomen mededelingen. Volgens klager hebben alle drie de zegslieden ontkend dat zij de gestelde mededelingen zouden hebben gedaan.
1. In een brief van 17 maart 1988 deelde Holland Venture desgevraagd aan klager mee 'het niet eens (te) zijn met de wijze waarop een medewerker van Holland Venture is geciteerd.'
2. In een brief van 25 februari 1988 deelde Boerema desgevraagd aan klager mee de heer Van Tuijn niet te kennen. 'Hij heeft mij eenmaal (plusminus één jaar geleden) zeer kort gemeld dat hij niet over U te spreken was. Dit komt natuurlijk wel meer voor in het dagelijks leven. Hij heeft mij echter nooit gefeliciteerd.'
3. In een brief van 2 maart 1988 deelt de voorzitter van Gedeputeerde Staten van Gelderland desgevraagd aan klager mee er niet mee bekend te zijn 'dat een van onze ambtenaren, belast met de volksgezondheid, zich heeft uitgelaten over Uw persoon en Uw kwaliteiten.'

Betrokkene heeft geantwoord dat het vermelden van de zakelijke betrekkingen tussen klager en Boerema relevant was, omdat in het artikel wordt beschreven dat de breuk tussen Vendex International en Boerema in belangrijke mate het gevolg was van zakelijke conflicten uit het verleden en het grillig afgeschilderde optreden van Boerema. In die kontekst was het eveneens van belang te vermelden dat ook klager een vergunning had aangevraagd voor de exploitatie van commerciële ziekenhuizen. Betrokkene heeft er voorts op gewezen dat in het artikel van 24 januari 1987 over deze zelfde feiten klager door een op verzoek anoniem gebleven hoge ambtenaar van het Gelderse provinciehuis werd omschreven als een 'wilde fantast'.
Daartegen heeft klager destijds geen bezwaar gemaakt, zodat het naar de mening van betrokkene 'merkwaardig' aandoet dat klager dat thans wel doet tegen de afgezwakte versie 'fantast', afkomstig van dezelfde ambtenaar. Betrokkene meent dat de door klager aangehaalde brief van de voorzitter van Gedeputeerde Staten het doen van de uitlating niet uitsluit.
De opgenomen uitlating van P. van Tuijn is afkomstig uit diens brief aan betrokkene van 23 februari 1987, geschreven naar aanleiding van het artikel van 24 januari 1987. Wanneer Boerema aan klager schrijft nooit door Van Tuijn gefeliciteerd te zijn, is hij dat kennelijk vergeten. Tegenover betrokkene heeft Van Tuijn in een telefoongesprek tussen beide bij de voorbereiding van het artikel de inhoud van zijn brief nog eens bevestigd.
Betrokkene meent, dat in de brief van Holland Venture aan klager wordt erkend dat mededelingen als in het artikel weergegeven naar buiten toe zijn gedaan.
Betrokkene meent, dat hij op zijn bronnen mocht afgaan en dat hij niet de reactie van klager, die tijdens de voorbereiding van het artikel onbereikbaar was voor commentaar` behoefde af te wachten. Het ging immers niet om nieuwe feiten. Bovendien is er een ingezonden brief van klager gepubliceerd.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De aangevallen passage is een onderdeel uit een vervolgartikel, waarin betrokkene op grond van feitenmateriaal en bronnenonderzoek een analyse geeft van de handel en wandel van dr. Boerema op het gebied van commerciële projecten in de gezondheidszorg. In dit verband wordt gewag gemaakt van de relatie met klager en diens optreden op dit gebied. In een dergelijk opiniërend artikel mocht betrokkene de door anderen gebezigde kwalificaties 'zo'n figuur als Boerema' en 'fantast' overnemen, omdat de inhoud van deze begrippen voldoende werd onderbouwd. De opgenomen mededeling van Van Tuijn dat deze zich slachtoffer voelt van klager is de registratie van een subjectief gevoelen van een derde. Betrokkene behoefde klager dan ook niet in de gelegenheid te stellen commentaar te geven.

BESLISSING

Betrokkene heeft, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, niet maatschappelijk onaanvaardbaar gehandeld door in een onderbouwd, opiniërend artikel twee kwalificaties met negatieve strekking t.a.v. klager en een mededeling van een derde, welke mededeling negatief jegens klager kan worden uitgelegd, op te nemen zonder klager om commentaar te vragen.

De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in Elsevier.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 8 november 1988 door Mr. M.J.P. Verburgh, voorzitter, Mr. G. Dullens, J.L. de Troye, Drs. H.W.M. van Run en J.M.P.J. Verstegen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A.C.M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 29.