1988/27 ongegrond

FIDA TEGEN RUDIE VAN MEURS

Bij brief van 25 juli 1988 met 4 bijlagen heeft W. P. M. Beek namens de Nederlandse Vereniging van Fabrikanten, Importeurs en Detaillisten van hoortoestellen en Audiologische apparaten, FIDA , (klaagster), een klacht ingediend tegen de journalist Rudie van Meurs (betrokkene). Deze heeft bij brief van 25 augustus 1988 met 1 bijlage op de klacht gereageerd.
De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 6 oktober 1988. Klaagster werd vertegenwoordigd door W. P. M. Beek. Betrokkene was in persoon aanwezig. Met toestemming van partijen werd door de Raad over de zaak geoordeeld door vier leden.

DE FEITEN

De handel in gehoorapparaten wordt in Nederland beheerst door de leden van de FIDA (de Nederlandse Vereniging van Fabrikanten. Importeurs en Detaillisten van Audiologische apparatuur). De leden van de FIDA hanteren bepaalde prijsafspraken. Het Ziekenfonds Potterdam heeft een bij de FIDA aangesloten leverancier bereid gevonden de prijsafspraken te doorbreken. Het Ziekenfonds is van oordeel dat de aan de afnemers berekende prijzen aanzienlijk te hoog zijn. In een kort geding voor de President van de Rechtbank te Dordrecht werd beslist dat het Ziekenfonds nog gedurende vijf maanden met de FIDA over een nieuwe opzet diende te onderhandelen. De uitgangspunten van het Ziekenfonds werden door de President niet als onjuist beoordeeld.
Over deze kwestie is in Vrij Nederlandvan 2 juli 1988 een artikel verschenen van betrokkene onder de kop 'Gehoorgestoorden in Nederland krijgen jarenlang een oor aangenaaid' met daaronder in kleinere letters de kop 'Waarom moet een gehoorapparaat van f 200,- in de winkel f 1.200,- kosten?'
Het artikel bevat de volgende passages.

'Op een merkwaardige manier is met de prijzen gegoocheld. Het Ziekenfonds Rotterdam heeft in zijn nota de weg gevolgd van het Hanzaton-hoortoestel. De gemiddelde verkoopprijs bij de audicien van dat apparaat bedraagt bijna twaalfhonderd gulden - exclusief BTW en exclusief het oorstukje van honderd gulden. De prijs is af fabriek die de groothandel betaalt is f 207,-. Dat bedrag is bij het kort geding 'onzorgvuldig' genoemd. Laten we daarom gemakshalve f 210,- aanhouden. De groothandel brengt een winstpercentage van ruim honderd procent in rekening. Dan kost het apparaat al f 420,-. Vervolgens bedraagt de gemiddelde winst (want grote audicienketen verdienen meer dan kleinere handelaars) f 769,50. Alles wat de audicien daarvoor moet doen is de klant ontvangen, het oorstukje aanmeten, het hoortoestel passen, enige informatie geven over bediening en het onderhoud, en kassa'.
'Er is voorts sprake van een stil verbond tussen de audicien en de keel-, neus-, en oorarts. Die laatste schrijft een apparaat voor en laat het in de meeste gevallen aan de handelaar in hoorapparaten over welk toestel geleverd wordt'.
'In totaal gaat het om tweehonderd audiciens die meestal ook nog in brillen doen'.

In Vrij Nederland van 16 juli 1988 is onder de kop 'Hoortoestellen' een ingezonden brief opgenomen van W. P. M. Beek als bestuurslid van de FIDA. In die brief wordt een aantal bezwaren tegen het artikel van betrokkene naar voren gebracht. De brief is voorzien van het volgende naschrift.
'Naschrift Rudie van Meurs: VN beschikte over het complete, vuistdikke dossier van de FIDA rechtszaak, met daarin onder meer het standpunt van de FIDA zelf, pleitnota's van advocaten en rapporten van deskundigen. Deze informatie is in het artikel verwerkt'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De bezwaren van klaagster zijn de volgende:
1. Betrokkene heeft het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door wel informatie in te winnen bij het Ziekenfonds Rotterdam maar zich overigens te beperkén tot raadpleging van het dossier van de FlDA-rechtszaak. Naar de mening van klaagster had Rudie van Meurs ook met de FIDA moeten spreken.
2. Het artikel is gesteld in tendentieuze bewoordingen en heeft een kwetsende en denigrerende kop. Het gaat daarbij om de term 'gehoorgestoorden'. Klaagster meent dat gebruik dient te worden het woord 'slechthorenden'.
3. Het artikel bevat feitelijke onjuistheden. Volgens klaagster is er geen stil verbond tussen de audicien enerzijds en de keel-, neus-, en oorarts anderzijds. Onjuist is dat de audiciens in Nederland 'meestal' ook nog in brillen doen. Dit moet zijn 'soms'.

Klaagster wijst er op dat de door de FlDA-leden gehanteerde prijzen mede bepaald worden door de volgende factoren: een zelf gefinancierde vakopleiding met als resultaat een hoog niveau van bekwaamheid; een klantvriendelijke klachtenregeling; lage kosten; grote betrokkenheid bij de problemen van de klant/patiënt. Volgens klaagster ging de Vereniging van Nederlandse Ziekenfondsen destijds niet in op een voorstel van de FIDA tot een accountantsonderzoek teneinde te komen tot een reële waardering van de werkzaamheden van de audiciens. De President van de Rechtbank te Rotterdam heeft overwogen dat het door het Ziekenfonds Rotterdam gebruikte rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. Dit laatste wordt in het artikel in Vrij Nederland ten onrechte niet meegedeeld.

Betrokkene heeft geantwoord dat het aan hem ter beschikking gestelde dossier over de rechtszaak zoveel materiaal bevatte met een weergave van de standpunten van beide partijen, dat op hem niet de verplichting rustte beide partijen te horen. Aan de directeur van het Ziekenfonds Rotterdam werd door hem slechts om aanvullende informatie gevraagd, die geen aanleiding gaf tot het horen van klaagster.
Betrokkene meent dat zijn artikel niet tendentieus is. Wel gaat het om een opiniërend artikel waarin hij op basis van feiten de positie van klaagster aan de kaak stelt. Het gebruik van het woord 'gehoorgestoorden' in plaats van de term 'slechthorenden' acht hij niet denigrerend. Ook de laatste term wordt in het artikel gebruikt. Het gaat naar de mening van betrokkene om een vrij willekeurige afwisseling van de beide woorden.
Betrokkene bestrijdt dat het artikel feitelijke onjuistheden bevat. De passage over het 'stil verbond' is gebaseerd op informatie van de directeur van het Ziekenfonds Rotterdam. Dat deze later een brief heeft rondgestuurd aan een aantal KNO-artsen om dit af te zwakken doet hieraan niet af.
Dat veel audiciens ook in brillen handelen is gebaseerd op een studie uit 1984 van F. de Boer van de Wetenschapswinkel van de VU. In de inleiding van dit rapport wordt verwezen naar een overeenkomst tussen de Nederlandse Vereniging van Slechthorenden en de FIDA, die aan de studie ten grondslag heeft gelegen. Dat de FIDA later verklaard heeft zich te hebben teruggetrokken, doet niet af aan de juistheid van de verzamelde feiten.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad stelt voorop dat betrokkene mocht volstaan met het gebruik van de stukken over de rechtszaak, daar hij mocht aannemen dat deze een evenwichte belichting gaven van de diverse standpunten.
Het enkele feit dat betrokkene een van beide partijen om aanvullende informatie heeft gevraagd, bracht niet mee dat hij ook de andere partij moest horen, nu de informatie daartoe geen aanleiding gaf.
Het stond betrokkene vrij de verzamelde feiten te selecteren, nu het om een opiniërend artikel ging en dit als geheel geen onjuist beeld geeft.
De Raad acht het artikel niet tendentieus en denigrerend. Klaagster heeft niet waargemaakt dat onjuiste feiten zijn vermeld.
De klacht dient derhalve te worden afgewezen.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid niet maatschappelijk onaanvaardbaar heeft gehandeld door zich voor het door hem geschreven artikel in hoofdzaak te baseren op schriftelijke stukken en door slechts een van beide partijen om aanvullende informatie te vragen .

Aan de Raad is niet gebleken van een tendentieuze selectie van feiten of van feitelijke onjuistheden.
De Raad verzoekt betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting in Vrij Nederland wordt gepubliceerd.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 6 oktober 1988 door mr. R. de Waard, voorzitter, J. de Vries, J. M. P. J. Verstegen en T. M. Lücker, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 27.