1988/23 ongegrond

P. VAN ROODSELAAR TEGEN M. VAN LIESHOUT

Bij brief van 21 april 1988 met 6 bijlagen heeft P. van Roodselaar te Hoorn (klager) een klacht ingediend tegen Mari van Lieshout, journalist van het Dagblad voor West-Friesland (betrokkene). Bij brief van 17 mei 1988 met 1 bijlage heeft B. Klaassen, adjuncthoofdredacteur van het Noordhollands Dagblad namens betrokkene op de klacht gereageerd.
De Raad heeft met toestemming van partijen op 29 juni 1988 over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van stukken uit van de volgende feiten.
Klager werkt als vrijwilliger voor de Meldkamer tegen Diskriminatie en Fascistische Akties van de regio Noord-Holland Noord te Alkmaar. Naar aanleiding van plannen om met subsidie van de gemeente Hoorn ondersteuning te verlenen aan de regionale Meldkamer te Alkmaar of daarmee te Hoorn een eigen meldpunt op te zetten, heeft betrokkene getracht nadere informatie over die plannen te verkrijgen in telefoongesprekken met klager.
In de rubriek 'Hoornse broeder' van het Dagblad voor West-Friesland van 5 maar 1988 heeft betrokkene in een stukje onder de kop 'Droef te moede' verslag gedaan van die pogingen.
Betrokkene doet mededeling van een eerste telefoongesprek met klager waarin deze geen inlichtingen verstrekte, maar beloofde terug te bellen en van het feit dat noch bij de politie te Alkmaar, noch bij de gemeente Hoorn het telefoonnummer van de Meldkamer te Alkmaar bekend bleek, maar slechts een telefoonnummer dat verbinding gaf met een antwoordapparaat.
Het stukje eindigt met de volgende passage.

'Droef te moede opnieuw Van Roodselaar gebeld. Met de concrete vraag: hoe zit het nou in hemelsnaam met de vorderingen van een aparte meldkamer in Hoorn? En: is het probleem in Hoorn werkelijk onrustbarend? 'Ik kan echt geen mededelingen doen. Ik moet eerst met het bestuur overleggen. Racisme is zo'n gevoelig onderwerp, weet je. Ik bel je terug.' Gebeurt dus niet. Aan telefoonkosten hoeven ze de subsidie in elk geval niet uit te geven'.

STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager is van oordeel dat betrokkene in zijn stukje de Meldkamer te Alkmaar in discrediet heeft gebracht. Het wordt voorgesteld of hij geen inlichtingen wilde geven, terwijl het erom ging dat het gesprek met de gemeente Hoorn moest worden afgewacht. Dat heeft plaats gevonden op 28 maart 1988. De Meldkamer werkt nooit met een antwoordapparaat. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de Alkmaarse politie en de gemeente Hoorn gezegd hebben de Meldkamer niet te kennen, omdat met de politie van Alkmaar nauw wordt samengewerkt en de gemeente Hoorn geldelijke ondersteuning verleent. De Meldkamer staat vermeld in het boekje 'Wegwijs in Hoorn', dat onder alle ingezetenen van Hoorn verspreid is.
Betrokkene erkent dat inderdaad het telefoonnummer van de Meldkamer in de door klager genoemde gids gevonden had kunnen worden, zodat het gedeelte uit het stukje over het zoeken naar het telefoonnummer anders uitgevallen had kunnen zijn. Betrokkene handhaaft dat de gesprekken met klager verlopen zijn als in het stukje is beschreven. Betrokkene meent dat de Meldkamer niet in een verkeerd daglicht wordt gesteld. Hij verwijst naar een publikatie in de Alkmaarsche Courant van 16 mei 1988 over de Meldkamer, waaruit blijkt dat de contacten met deze instantie goed zijn. Verder wijst betrokkene er op dat hij in de correspondentie, voorafgaande aan deze klacht, heeft aangeboden een ingezonden brief op te nemen als reactie op het aangevallen stukje. Van dat aanbod is geen gebruik gemaakt.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

De Raad neemt aan dat er wellicht sprake is geweest van communicatiestoornissen tussen klager en betrokkene en dat het door betrokkene geschreven stukje daarvan het resultaat is. De Raad kan klager niet volgen in zijn betoog dat de Meldkamer in het stuk in discrediet wordt gebracht. Mede gezien het feit dat van de zijde van betrokkene is aangeboden een ingezonden reactie op te nemen, is er geen sprake van onzorgvuldig handelen door betrokkene jegens de Meldkamer.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt de betrokkene te bevorderen dat deze beslissing integraal of in samenvatting wordt gepubliceerd in het Dagblad voor West-Friesland.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 29 juni 1988 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. G. Dullens, J. de Vries, Drs. H. W. M. van Run en Mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 23.