1988/2 ongegrond

MR. E. BLOEMBERGEN TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN NRC HANDELSBLAD

Bij klaagschrift van 8 december 1987 met 7 bijlagen heeft Mr. E. Bloembergen te Bilthoven (klager) een klacht ingediend tegen de hoofdredacteur van NRC Handelsblad (betrokkene). Bij brief van 24 december 1987 heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De Raad heeft met toestemming van partijen op 1 februari 1988 in een samenstelling van vier leden over de klacht beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

Bij brief van 9 september 1987 heeft klager een ingezonden brief aangeboden aan betrokkene van de volgende inhoud.

Dagblad in opspraak

'Het vijandelijk bod van Elsevier op Kluwer deed de in het bijzonder op de achtergrondinformatie en redactionele opinies ingestelde lezer vol verwachting uitzien naar Uw berichtgeving. Deze blijkt onvolledig, oppervlakkig en partijdig, zelfs slaafs te zijn. Bekroond door een redactioneel stilzwijgen over zaken als persvrijheid, journalistieke verantwoordelijkheid alsmede ontwrichtingvan Beurs en bedrijfsleven, inclusief sociale en maatschappelijke belangen, door vijandelijke overnames.
Gaarne onderbouw ik deze beoordeling in Uw (mijn) blad. U heeft een voorkeursrecht. Wetenschap en praktijk zullen zich ongetwijfeld nog met de aantrekkelijke casus, die Uw bedrijf biedt, te zijner tijd bezighouden. Mij tot een kernpunt beperkend, wijs ik op het schijnbaar evenwichtig tweeluik in Uw editie van 19 augustus 1987. U lijkt Vinken en Maxwell evenwichtig te willen beschrijven. Voor Vinken laat U een serie getuigen à décharge - tegen de stelling dat hij geen emoties zou kennen aan het woord. Waardeloos!
Van Maxwell volgt echter een complete beschrijving. Zo'n ongunstig doopceel is zeldzaam. Een waardevolle bijdrage derhalve. Wij leren dat Maxwell, in het eerste contact zeer charmant, onmaatschappelijke a-sociale en hoogst onsympathieke praktijken beoefent, is nog tot daar aan toe. U beschrijft echter ook een aantal handelingen waarop een assortiment misdrijfomschrijvingen van het Wetboek van Strafrecht van toepassing lijkt. Inclusief uitlokking daarvan, wanneer Maxwell zijn volgzaam tweede garnituur onder druk zet.
Het toppunt is wel dat U de officiële Engelse Enquête uitslag 'not fit and proper' vertaalt met 'niet geschikt om een zaak te leiden'. 'Proper journalism' zou wijzen op het Britse talent voor Understatement en het restrictieve officiële taalgebruik, die bedoelen te zeggen dat men als fatsoenlijk mens verre van deze persoon dient te blijven. Dat deed Kluwer. Elsevier niet. Aldus werd verschil in cultuur tussen beide concerns gemarkeerd.
De volgende hypothese lijkt de moeite van onderzoek waard. Voor zijn internationale plannen heeft ook Maxwell de gebruikelijke landendossiers. Geen kansen (aangrijpingspunten) in Nederland. Tot Elseviers bod. Maxwell ziet een kans bij de verdediger. No dice. Dan het andere spoort, dat door aandelen aankoop andere perspectieven biedt. Vinken ziet kansen, ook op een fast buck en bedreigingen. Nu de kansen mislukt zijn kan hij zich, wanneer de terugtrekkingsoperatie uit het Maxwell opzetje is voltooid, misschien nog beroepen een levensgevaarlijke dreiging te hebben afgewend. Zulks ondanks tegenwerking van diverse kanten die met hun publicitair gerucht deze delicate operatie bemoeilijkten. Gelukkig hielp de NRC het uiteen gaan van de gelegenheids combine vakkundig voor te bereiden, alsof het Elsevier PR en informatiebeleid aan de NRC is uitbesteed.

Kortom, geachte hoofdredactie, het wachten is op de resultaten van 'investigative journalism' zowel als enkele duidelijke uitspraken over Uw uitgangspunten met daaruit volgende opinies en verdiepende beschouwingen. Zo kan de smet op Uw fiere devies Lux et Libertas worden afgewist. Tevens vervalt de gedacht dat na de SMO-publikatie 'Dagblad ter sprake' een nieuwe uitgave onder titel 'Dagblad in Opspraak' wenselijk is'.

Onder weglating van de eerste twee alinea's en van de laatste alinea is deze brief gepubliceerd in de brievenrubriek van het bijvoegsel Mens & Bedrijfvan NRC Handelsblad van 23 september 1986 met als kop 'Maxwell en Vinken'. Bij de brief zijn afgedrukt foto's van P. Vinken en R. Maxwell. Als ondertekenaar staat vermeld:
'E. Bloembergen, Oud-voorzitter van de Raad van Bestuur van VNU, Bilthoven'.
Bij brief van 28 september 1987 heeft klager bij betrokkene bezwaar gemaakt tegen de inkorting van zijn brief en de toevoeging 'Oud-voorzitter van de Raad van Bestuur van VNU' aan zijn ondertekening. Hierop is verdere correspondentie gevolgd tussen partijen, waarbij betrokkene de bezwaren van klager van de hand heeft gewezen.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

De Raad vat de bezwaren van klager als volgt samen.
1. In zijn op 9 september 1987 aangeboden brief heeft klager stelling genomen tegen het door betrokkene gevoerde redactionele beleid en dit naar aanleiding van de berichtgeving over de uitgeversstrijd Elsevier/Kluwer/ Maxwell. Klager heeft daarbij tot voorbeeld genomen de beschrijving van de heren Vinken en Maxwell in het NRC Handelsblad van 19 augustus 1987. Door kop en staart van zijn brief weg te laten lijkt het alsof klagers kritiek zich uitsluitend richt tegen deze beschrijving. Dit effect wordt nog versterkt doordat het overgenomen gedeelte van zijn brief begint met de woorden 'Mij tot een kernpunt beperkend...'. Ten onrechte krijgt de lezer aldus de indruk dat klager slechts opponeert tegen de beschrijving van genoemde heren terwijl het werkelijke onderwerp van zijn kritiek, namelijk het redactionele beleid, door de toegepaste inkorting van zijn brief geheel is weggevallen. Klager acht de inkorting daarom onzorgvuldig en misleidend. Ook het weglaten van de aanhalingstekens rond de zinsnede 'non-fit and proper' heeft bijgedragen tot wijziging van de essentie van de brief omdat deze woorden aldus een subjectieve meningsuiting leken in plaats van objectief bewijsmiddel.
2. Klager heeft bezwaar tegen het feit dat aan zijn ondertekening de vermelding van zijn vroegere functie is toegevoegd. Klager heeft de brief op persoonlijke titel geschreven. Als betrokkene vermelding van zijn vroegere functie voor zijn lezers van belang achtte, had dat in een redactionele voetnoot moeten gebeuren. Nu is ten onrechte de indruk gewekt dat klager zelf bedoelde vroegere hoedanigheid voor de inhoud van zijn brief van belang achtte.

Betrokkene heeft ter afwering van de bezwaren van klager gewezen op het feit dat het inkorten van ingezonden brieven een recht is dat de redactie zich voorbehoudt en dat algemeen bekend is. Betrokkene meent dat ook klager, die geen onbekende is in de mediawereld, op inkorting bedacht had moeten zijn. Betrokkene is daarnaast van oordeel dat de essentie van klagers boodschap wel bewaard is gebleven. Over hetgeen uit de brief is weggelaten heeft betrokkene geschreven: 'In het begin van Uw rubriek spreekt U een aantal vergaande beschuldigingen uit, in termen die grenzen aan onredelijkheid'.
Wat betreft de toevoeging aan de ondertekening heeft betrokkene gewezen op het gebruik om de lezer informatie te geven over de identiteit en achtergronden van een brief- of artikelenschrijver. 'Zeker in dit geval achtten wij dat relevant, omdat de heer Bloembergen, zoals hij zelf uitvoerig aangeeft, geen onbekende is in de uitgeverswereld.'

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Betrokkene was gerechtigd tot bekorting van de door klager aangeboden brief ook zonder overleg met klager, mits de essentie van die brief bewaard bleef. De Raad kan klager volgen in zijn visie dat juist het begin en het einde van zijn brief de essentie ervan inhouden namelijk kritiek op het redactionele beleid van betrokkene, met name ten aanzien van de berichtgeving over de uitgeversstrijd Elsevier/Kluwer/Maxwell. In die visie is het middenstuk van de brief van klager niet meer dan een voorbeeld ter motivering van die kritiek.
Naar het oordeel van de Raad kon echter de brief van klager het misverstand wekken dat deze in essentie gericht was op de beschrijving van Vinken en Maxwell in het bijvoegsel Mens & Bedrijf van 19 augustus 1987. Door het gebruik van het woord 'kernpunt' in het begin van de derde alinea van de brief gaf deze aanleiding tot dat misverstand. Op dit misverstand sluit aan de publikatie van de brief in het bijvoegsel Mens & Bedrijf.
De Raad acht de verkeerde waardering van de brief niet onbegrijpelijk en dus niet onzorgvuldig. De Raad overweegt daarbij dat ondanks de op mogelijk verkeerde lezing van de brief toegesneden inkorting de essentie van de door klager bedoelde hoofdboodschap niet is verdwenen. Ook in de ingekorte versie is klagers kritiek op de berichtgeving over de uitgeversstrijd nog duidelijk te lezen, met name in de laatste zin.
De Raad heeft begrip voor klagers bezwaar dat vermelding van zijn vroegere functie geplaatst is tussen zijn naam en woonplaats alsof deze toevoeging van hem afkomstig is. Betrokkene had die toevoeging duidelijk kenbaar voor eigen rekening moeten nemen. Daar echter niet is gesteld of gebleken dat klager hierdoor benadeeld is, of dat betrokkene eventuele benadeling had moeten voorzien acht de Raad deze handelwijze van betrokkene niet meer dan een schoonheidsfout.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 1 februari 1988 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, molen, T. M. Lücker, leden, Mr. P. J. Boukema, Mr. D. T. Dal, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 2.