1988/17 ongegrond

SAMSOM UITGEVERIJ B.V. TEGEN W. F. GERADTS

Bij brief van 30 maart 1988 met 2 bijlagen heeft Samsom Uitgeverij B.V. te Alphen aan den Rijn (klaagster) een klacht ingediend tegen W.F. Geradts (betrokkene). Bij brief van 27 april 1988 heeft deze op de klacht gereageerd. De Raad heeft met toestemming van partijen op 16 mei 1988 over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
Klaagster is uitgeefster van Tekst Select, een informatieservice voor redacties van personeelsbladen. Een abonnement kost f 195,- per jaar. Hiervoor ontvangt de abonnee 24 artikelen, tips, adviezen en gebruiksklaar illustratiemateriaal .
Deze nieuwe uitgave is in De Journalist van 29 februari 1988 besproken door betrokkene in een artikel onder de kop 'Oplichting loont'. De recensie begint met de volgende passage.

'De onderste lagen van de serieuze journalistiek worden naar mijn idee gevormd door bedrijfsbladen waar nijvere redacteuren met wisselende graden van scholing, bevoegdheden en fondsen dapper proberen hun bedrijfsgenoten naar eer en geweten op de hoogte te brengen van alle wel en wee in het bedrijf. Een moeilijke taak. Maar wie schiet daar geheel onverwacht en vol mededogen, zij het à f 195 per jaar, te hulp? Niemand minder dan Samsom uitgeverij, super-professional dus en dan moet het wel goed zijn. Acht keer per jaar biedt de nieuwe gigant redacties die niet kunnen vol komen, een pakket teksten en illustraties die ze zonder verdere problemen met rechten en ander gezeur naar eigen goeddunken mogen gebruiken'.

De laatste alinea van het bericht luidt als volgt: 'Samsom bevordert tegen betaling de achterlijkheid van de bedrijfsjournalistiek, zou mijn conclusie zijn. Of is dat nou hoe uitgevers in gedrukte woorden handelen? Journalistiek gezien moet het gewoon oplichting genoemd worden'.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klaagster maakt bezwaar tegen het feit dat zij door betrokkene beschuldigd wordt van oplichting.
'Ons ontgaat het verschil tussen journalistieke oplichting en oplichting in zijn algemeenheid. Derhalve blijft betichting van oplichting.
Volgens het Wetboek van Strafrecht (art. 317): met het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling hetzij door het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, hetzij door listige kunstgrepen, hetzij door een samenweefsel van verdichtsels iemand bewegen tot de afgifte van enig goed of tot het aangaan of teniet doen van een schuld'. Volgens klaagster is deze betichting 'niet alleen onzinnig' maar ook 'in flagrante strijd met waarheid'.

Betrokkene heeft geantwoord dat hij de kwalificatie 'oplichting' heeft gehanteerd volgens het spraakgebruik van de gemiddelde lezer.
'In het spraakgebruik van niet-juristen heeft 'oplichting' de betekenis van afzetterij, het ontvangen van een te hoge betaling voor een te geringe prestatie. Ik heb het woord dus niet in strafrechtelijke zin gebruikt. (...) Met de toevoeging 'journalistiek gezien' is expliciet aangegeven dat het niet om 'juridisch gezien' ging, alsmede dat het oordeel door journalistiek normbesef was ingegeven'.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag of de term 'oplichting' in de bespreking van betrokkene verstaan moet worden als oplichting in de zin van het Wetboek van Strafrecht. Uit het artikel blijkt dat naar de mening van betrokkene de kwaliteit van de aangeboden service niet in overeenstemming is met de gevraagde abonnementsprijs. Betrokkene kwalificeert deze handelwijze 'journalistiek gezien' als oplichting. Gelet op de woorden 'journalistiek gezien' en op de aard van het artikel (recensie), kan naar het oordeel van de Raad het woord 'oplichting' niet in strafrechtelijke zin worden opgevat. Betrokkene heeft dan ook niet onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 16 mei 1988 door mr P.J. Boukema, waarnemend voorzitter, J. L. de Troye, mr A. J. Heerma van Voss en drs H. W. M. van Run, leden, in tegenwoordigheid van mr A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 17.