1988/16 ongegrond

L. DE LOUW TEGEN HOOFDREDACTEUR VAN HET BRABANTS DAGBLAD

Bij brief van 25 februari 1988 met drie bijlagen heeft L. de Louw te Maarheeze (klager) een klacht ingediend tegen B. H. M. Sies hoofdredacteur Brabants Dagblad (betrokkene). Bij brief van 13 april 1988 heeft deze zich tegen de klacht verweerd.
De Raad heeft met toestemming van partijen op 21 april 1988 over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken uit van de volgende feiten.
In het Brabants Dagblad van 31 januari 1987 is onder de kop 'Geldloper neergeschoten' een bericht verschenen over een overval in Oss. Het bericht opent met de volgende alinea.

'De 26 jarige geldloper Leo de Louw uit Budel is gisteren neergeschoten bij een overval op de Hema in Oss. Het slachtoffer is niet in levensgevaar. De overvallers, drie gemaskerde mannen, gingen er vandoor met een geldcassette. De politie wil in het belang van het onderzoek niet vertellen hoeveel geld er is ontvreemd'.

STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager heeft er bezwaar tegen dat hij met naam en woonplaats in het artikel is genoemd. Het gevolg hiervan is dat ook de daders hem eventueel kunnen vinden. Om die reden heeft hij nooit een eis tot schadevergoeding durven indienen. De collega, die zijn naam aan de verslaggever heeft doorgegeven heeft 's avonds nog telefonisch verzocht zijn naam niet in de krant te zetten.
Betrokkene heeft geantwoord dat er naar zijn mening geen enkele reden was de naam van klager niet te noemen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het noemen van namen van bij nieuwsfeiten betrokken personen is in beginsel vrij. De regel dat ten aanzien van verdachten van strafzaken in het algemeen met initialen wordt volstaan wordt door de Raad onderschreven. De Raad meent dat er ten aanzien van slachtoffers alleen reden is om tot anonimisering over te gaan wanneer bijzondere en voor de journalist kenbare belangen van het slachtoffer op het spel staan. Hierbij valt te denken aan de diffamerende werking van bepaalde delicten of gegronde vrees voor represailles. In het onderhavige geval werd het verzoek om de naamsvermelding achterwege te laten niet gemotiveerd. Ten tijde van de publikatie waren er derhalve voor betrokkene geen kenbare bijzondere belangen als bovenbedoeld. Van zodanige belangen is ook bij de behandeling van de klacht niet gebleken.

BESLISSING

De Raad acht de klacht ongegrond.

De Raad verzoekt betrokkene deze beslissing integraal of in samenvatting in het Brabants Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 21 april 1988 door Mr. R. de Waard, voorzitter, Mr. T. Faber-de Heer, D. F. Houwaart, Mr. F. Kuitenbrouwer en Drs. J. M. M. van der Pluijm, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 16.