1988/12 ongegrond

W. L. OLTMANS TEGEN DE DIRECTEUR VAN VPRO RADIO

Bij brief van 5 december 1987 heeft W. L. Oltmans te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen de directeur van VPRO Radio J. Haasbroek (betrokkene). Bij brief van 7 januari 1988 met één bijlage heeft deze op de klacht gereageerd. Bij brief van 18 januari 1988 heeft klager gerepliceerd.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad van 19 april 1988. Klager was in persoon aanwezig. Namens betrokkene verscheen Henk van Hoorn, eindredacteur van het VPRO radioprogramma Het Gebouw.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In de uitzending van het VPRO radioprogramma Het Gebouw van 9 oktober 1987 is klager geïnterviewd over zijn contacten met de Surinaamse machthebber Bouterse en de rebellenleider Brunswijk. In de uitzending is vervolgens melding gemaakt van de telefonische reactie van de luisteraar Ralph Sihilo. Diens reactie werd in de uitzending als volgt weergegeven.
'Ik vind het heel jammer dat gisteren bij het treffen met de opstandelingen Willem Oltmans niet geraakt is. Wat zeg ik, dat hij niet doorzeefd is met kogels, heel jammer' .
De desbetreffende presentatrice liet hierop nog net hoorbaar de woorden volgen: 'nou, dat gaat wat ver'.
In de uitzending van hetzelfde radioprogramma van 27 november is klager opnieuw geïnterviewd, ditmaal in de studio. Onderwerp was opnieuw de rol van klager bij de gebeurtenissen in Suriname. De interviewer is daarbij ook nog teruggekomen op de uitzending van 9 oktober, onder meer naar aanleiding van een stuk van klager in de Haagse Post. Volgens de interviewer had klager in dat stuk geschreven dat de presentatrice van het programma van 9 oktober zou hebben ingestemd met de reactie van Ralph Sihilo. Klager heeft hierop geantwoord dat hem dit zo is verteld maar dat hij zelf de van de VPRO ontvangen bandopname van het programma nog niet had afgeluisterd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Klager meent dat de VPRO de reactie van Sihilo niet had mogen uitzenden.
'Ik acht het in deze tijd van gijzelingen, en allerhande actiegroepen, ten ene male ongepast en gevaarlijk, dat de VPRO uit binnengekomen telefoons, juist deze licht, deze uitzendt en daarbij geen onmiddellijke veroordeling liet volgen. Trouwens, de VPRO had die krankzinnige, misdadige uitlating überhaupt niet behoren uit te zenden'.
Klager acht de handelwijze van de VPRO des te onzorgvuldiger nu de VPRO de telefonische
reacties selecteert, zoals bij de behandeling naar voren kwam.
De uitnodiging om mee te werken aan de uitzending van 27 november heeft klager ontvangen vlak voor hij op 26 november uit Suriname terugkwam. Voor de uitzending moest hij 's morgensvroeg in de studio zijn met als gevolg dat hij er niet toe is gekomen de door hem gevraagde en door de VPRO toegezonden bandopname van de uitzending van 9 oktober af te luisteren. Bij de uitnodiging werd ook niet gezegd dat die uitzending aan de orde zou komen.

De VPRO heeft naar voren gebracht dat het de bedoeling van het radioprogramma Het Gebouw is telefonische reacties van luisteraars op te roepen. Van die reacties wordt vervolgens in de uitzending melding gemaakt. De telefoontjes komen niet rechtstreeks zelf in de uitzending. Er vindt dus een zekere selectie plaats. In beginsel worden echter alle reacties in essentie weergegeven. Er wordt zo weinig mogelijk 'betutteld' .
De reacties worden ook niet van commentaar voorzien. In het onderhavige geval gebeurde dat wel. Daarmee werd aangegeven dat de VPRO afstand wenste te nemen van de inhoud van die reactie. De VPRO heeft een aanleiding gezien deze niet te vermelden. Naar het oordeel van de VPRO mag een journalist laten horen wat mensen denken. ook als het gaat om reacties die wellicht in de sfeer van het strafrecht komen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Het gaat in deze zaak om de vraag waar voor een journalist de grens behoort te liggen bij het doorgeven van reacties van anderen. De Raad beschouwt de omstreden reactie van Sihilo als een emotionele, sterk negatieve uitlating ten aanzien van de persoon van klager. De Raad beschouwt deze niet als een oproep tot gewelddadigheid. De Raad meent daarom dat betrokkene de reactie, mede gezien het karakter van het programma mocht doorgeven al is de negatieve strekking wel zodanig dat de grenzen van het toelaatbare nagenoeg bereikt zijn.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkene niet onzorgvuldig heeft gehandeld door in het radioprogramma Het Gebouw een sterk negatieve reactie ten aanzien van de persoon van klager door te geven, omdat die reactie zich beperkt tot een negatief oordeel over klager en geen actieve oproep tot gewelddadigheid inhoudt.

De Raad verzoekt betrokkene van deze beslissing in een van haar uitzendingen melding te maken

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 19 april 1988 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter W. F. de Pagter, Mr L. van Vollenhoven, T. Lücker, Mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 12.