1988/11 gegrond

W. L. OLTMANS TEGEN DE HOOFDREDACTEUR VAN HET ALGEMEEN DAGBLAD EN KAREL BAGIJN

Bij brief van 22 oktober 1987 met twee bijlagen en aanvullende brief van 15 februari 1988 met zes bijlagen heeft W. L. Oltmans te Amsterdam (klager) een klacht ingediend tegen A. I. Abram, hoofdredacteur van het Algemeen Dagblad en de journalist Karel Bagijn (betrokkenen). Bij brieven van 25 februari 1988 en respectievelijk 10 maart 1988 hebben A. l. Abram en Karel Bagijn op de klacht gereageerd.
De Raad heeft met toestemming van partijen op 19 april 1988 over de zaak beslist op grond van de stukken, derhalve zonder mondelinge behandeling.

DE FEITEN

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende feiten. In de periode van 23 juni 1987 tot en met medio september 1987 zijn in het Algemeen Dagblad zes artikelen of berichten verschenen waarin klager figureert. In vijf van de berichten gaat het om de politieke gebeurtenissen in Suriname en de rol daarbij van klager. In een brief van 24 september 1987 heeft klager zich tot betrokkene Abram gewend met het verzoek tot overleg over correctie van een aantal feitelijke onjuistheden. In een aangetekende brief van 29 september 1987 vraagt klager om een interview. Hij wijst daarbij op een toezegging daartoe van de journalist Bagijn, welke toezegging niet werd nagekomen.
'Reeds in twee brieven aan jou, die onbeantwoord bleven, vroeg ik je te bemiddelen, dat een aantal zaken (zoals de kop 'hardhandig einde missie Oltmans') rechtgetrokken zouden kunnen worden op een wijze zoals het tussen collega's gebruikelijk is'. Op de brieven van klager is door betrokkene niet gereageerd.

DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

Volgens klager bevatten de berichten en artikelen in het Algemeen Dagblad zeer veel feitelijke onjuistheden. Het bezwaar van klager tegen betrokkenen is dat zij geweigerd hebben in overleg met hem tot rechtzetting te komen. Klager meent dat hij hierop recht had, temeer daar betrokkene Bagijn hem een interview had toegezegd.

In hun verweer hebben betrokkenen de door klager gestelde feitelijke onjuistheden bestreden. Zij zijn niet ingegaan op klagers bezwaar dat hij niet in de gelegenheid is gesteld zelf aan het woord te komen.

BEOORDELING VAN DE KLACHT

Bij publikatie van feitelijke onjuistheden heeft de journalist in beginsel de plicht tot rechtzetting over te gaan. In de onderhavige zaak verschillen partijen van mening over de vraag of er wel sprake is van feitelijke onjuistheden. Het gaat daarbij om een opeenvolging van artikelen en berichten in een betrekkelijk kort tijdsbestek waarbij de figuur van klager telkens een belangrijke rol speelt. De Raad acht het aannemelijk dat door betrokkene Bagijn een interview is toegezegd toen klager zich halverwege de reeks berichten over onjuistheden beklaagde. Immers, deze mededeling van klager is door betrokkenen niet tegengesproken. De Raad meent dat betrokkenen onder die omstandigheden ofwel klager in de gelegenheid hadden moeten stellen in een artikel zelf aan het woord te komen ofwel hem gemotiveerd hadden moeten berichten waarom dat niet zou gebeuren. Betrokkene Abram had in ieder geval op de brieven van klager behoren te antwoorden.

BESLISSING

De Raad is van oordeel dat betrokkenen onzorgvuldig hebben gehandeld jegens klager door hem enerzijds wel in een samenhangende serie berichten over de ontwikkelingen in Suriname een belangrijke rol toe te kennen, maar hem anderzijds ondanks hun belofte en klagers verzoeken tot nakoming daarvan, niet in de gelegenheid te stellen zijn visie op gesignaleerde onjuistheden te geven en door hem althans geen gemotiveerde weigering te doen toekomen.

De Raad verzoekt betrokkenen deze beslissing integraal of in samenvatting in het Algemeen Dagblad te publiceren.

Aldus vastgesteld ter zitting van de Raad van 19 april 1988 door Mr. M. J. P. Verburgh, voorzitter, W. F. de Pagter, Mr. L. van Vollenhoven, T. L├╝cker en Mr. D. T. Dalmolen, leden, in tegenwoordigheid van Mr. A. C. M. Karsten, secretaris.

RvdJ 1988, 11.